Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX3744

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2006
Datum publicatie
23-05-2006
Zaaknummer
04-5091 AW en 05-22 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens verstoorde verhoudingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/5091 AW en 05/22 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 6 augustus 2004, nr. 03/1470 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 27 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Burghout, juridisch adviseur te Monnickendam, en A. van Leeuwen, werkzaam bij de gemeente Enkhuizen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door J.A. Smit.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was sedert 1 september 1998 werkzaam als medewerker verhaal en terugvordering bij [werkgever].

1.2. Bij besluit van 21 mei 2003 heeft appellant betrokkene met toepassing van artikel 8:8, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereen-komst (CAR/UWO) met ingang van 1 juni 2003 eervol ontslag verleend wegens verstoorde verhoudingen. Appellant heeft hierbij tevens besloten een regeling te treffen gelijk aan de regeling waarop betrokkene ingevolge artikel 8:8, derde lid, van de CAR/UWO minimaal recht heeft, zijnde een aanvullende en aansluitende uitkering overeenkomstig hoofdstuk 10a. Gelet op de bijdrage van betrokkene aan het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen heeft appellant geen aanleiding gezien haar nog een (aanvullend) bedrag in geld toe te kennen. Bij besluit van 14 oktober 2003 heeft appellant het besluit van 21 mei 2003, na daartegen door betrokkene gemaakt bezwaar, gehandhaafd.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 14 oktober 2003 ongegrond verklaard voorzover dit ziet op het ontslag en gegrond verklaard voorzover dit ziet op de weigering betrokkene een aanvullend geldbedrag toe te kennen. De rechtbank heeft genoemd besluit voor dit laatste deel vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. In dit verband heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat het ontstaan van het conflict op 11 september 2001 ten volle aan appellant is toe te rekenen en dat zowel betrokkene als appellant een aandeel hebben gehad in het voortbestaan van het conflict.

2.2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant betrokkene bij besluit van 5 oktober 2004 een aanvullende vergoeding toegekend ten bedrage van € 10.000,-, te vermeerderen met de daarover door betrokkene verschuldigde belasting.

3. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank voorzover zijn besluit van 14 oktober 2003 daarbij is vernietigd. Naar de mening van appellant kan het ontstaan van het conflict grotendeels aan betrokkene worden toegerekend en is ook juist betrokkene degene die een oplossing van het conflict heeft geblokkeerd.

4. Nu het ontslag als zodanig niet in geschil is, zal de Raad zich beperken tot de beoordeling van de daarbij getroffen regeling. De Raad overweegt daaromtrent naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd het volgende.

4.1. In juni 2001 is gestart met de verbouwing van het stadskantoor, welke onder meer meebracht dat de werkkamer van betrokkene niet kon worden gehandhaafd. Toen betrokkene op 10 september 2001 na een vakantie van enkele weken op haar werk was teruggekomen, bleek dat er - in afwijking van hetgeen haar was toegezegd - nog geen andere (tijdelijke) werkplek voor haar beschikbaar was. Betrokkene heeft die dag gebruikgemaakt van de werkplek van een collega die afwezig was. De daarop volgende dag moest betrokkene bij aankomst op haar werk constateren dat nog steeds geen werkplek voor haar beschikbaar was. Zij heeft hierover tegenover een collega haar ongenoegen geuit en is op enig moment met een (andere) collega de stad ingegaan om een kopje koffie te drinken. Dit had tot gevolg dat de clustercoördinator betrokkene niet aantrof toen zij haar ervan op de hoogte wilde stellen dat omstreeks 10.00 uur de werkplek van betrokkene gereed zou zijn. Na terugkeer van betrokkene op kantoor is zij door D, productgroepmanager Publiekszaken, bij zich geroepen en onderhouden over haar afwezigheid en haar gemopper tegen collega’s over de gang van zaken. D toonde zich daarbij boos. Betrokkene accepteerde deze boosheid niet en wilde daarom niet inhoudelijk op de verwijten van D ingaan. Volgens D heeft hij hierop met stemverheffing aan betrokkene kenbaar gemaakt dat voor hem niet aanvaardbaar was dat betrokkene een en ander niet wilde bespreken. Niettemin is betrokkene toen weggelopen zodat, naar tussen partijen niet in geschil is, het onderhoud al zeer spoedig na aanvang ervan tot een eind kwam.

4.2. Betrokkene heeft zich hierna ziek gemeld en is naar huis gegaan. Op 18 september 2001 heeft op verzoek van D een gesprek tussen hem en betrokkene plaats gehad; hierin heeft hij volgens zijn zeggen spijt betuigd over het feit dat hij op 11 september 2001 zonder dit te beseffen kennelijk een gevoelige snaar bij betrokkene had geraakt. Betrokkene is vervolgens weer aan het werk gegaan op haar tijdelijke werkplek. Op 3 oktober 2001 is zij evenwel zonder bericht naar huis gegaan en daarna niet meer op het werk verschenen. Enkele dagen nadien benaderd door D, verklaarde betrokkene niet tot werken in staat te zijn hoewel zij niet ziek was. Op 5 november 2001 heeft zij zonder overleg met D een werkplek op de afdeling Stedelijke Ontwikkeling ingenomen. Vanaf begin januari 2002 heeft betrokkene in het geheel niet meer voor appellant gewerkt.

4.3. In haar aan appellant gerichte bezwaarschrift van 29 juli 2003 heeft betrokkene gesteld dat D tijdens het onderhoud op 11 september 2001 tegen haar heeft getierd en geraasd en haar aldus onheus en respectloos heeft bejegend. Ter zitting heeft betrokkene gesteld dat zij D tijdens het onderhoud zag als een dreigend gevaar en het gevoel had dat hij haar naar de keel wilde vliegen. De Raad merkt dienaangaande op dat betrokkene in een uitgebreid memo aan D inzake genoemd onderhoud, gedateerd 11 september 2001, in het geheel geen melding maakt van tieren en razen. Over opstelling en gedrag van D meldt zij in dit memo niet (veel) meer dan dat D het gesprek voerde vanuit boosheid; dit was voor haar onacceptabel. D heeft uitdrukkelijk ontkend zich in onheuse bewoordingen jegens betrokkene te hebben uitgelaten. Voorts is in de stukken niet terug te vinden dat betrokkene zich door D lichamelijk bedreigd voelde op de wijze als door haar ter zitting geschetst. Zo betrokkene thans stelt dat zij het niettemin persoonlijk aldus heeft ervaren, meent de Raad er daarom van te kunnen uitgaan dat hiervoor geen objectieve grond aanwezig was. De Raad is verder van oordeel dat D niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om betrokkene aan te spreken op gedrag dat in zijn ogen misplaatst is. De Raad kan zich niet aan de indruk onttrekken dat betrokkene op 11 september 2001 de juiste hiërarchische verhoudingen enigszins uit het oog heeft verloren. Weliswaar had D er beter aan gedaan zijn boosheid over het gedrag van betrokkene niet zo uitdrukkelijk te etaleren als kennelijk het geval is geweest en had hij wellicht meer begrip moeten hebben voor het ongenoegen van betrokkene, maar dit gaf betrokkene nog niet het recht om te reageren op de wijze als door haar is gedaan.

4.4. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen kan naar het oordeel van de Raad niet worden staande gehouden dat de oorzaak van het conflict tussen partijen, gelegen in het zeer kortstondige onderhoud op 11 september 2001, in overwegende mate aan appellant is toe te rekenen, laat staan dat dit ten volle het geval is.

4.5. Met betrekking tot het voortbestaan van het conflict deelt de Raad in zoverre het oordeel van de rechtbank dat beide partijen er een aandeel in hebben gehad. Het aandeel van appellant daarin is evenwel zeker niet als overwegend aan te merken. Daartoe overweegt de Raad als volgt.

4.6. Voor haar weigerachtigheid om op een werkplek binnen de afdeling Sociale Voorzieningen haar werkzaamheden te verrichten, beroept betrokkene zich op een gevoel van onveiligheid dat door het onderhoud met D op 11 september 2001 is ontstaan. Daargelaten wat er precies zij van dit gevoel van onveiligheid, wijst de Raad erop dat betrokkene na 11 september 2001 nog wel enige tijd binnen evengenoemde afdeling heeft gewerkt. Later was zij daartoe niet meer bereid, zonder dat is gebleken van een verdere verslechtering van de verstandhouding met D met wie de relatie vóór 11 september 2001 bepaald goed was. Het stond betrokkene niet vrij om haar werkplek eigenmachtig te verplaatsen naar de afdeling Stedelijke Ontwikkeling. Geenszins onbegrijpelijk is dat D zich niet bij deze verplaatsing wilde neerleggen. Daar komt bij dat de werkplek van D op het stadskantoor (kort voor) december 2001 is verwisseld voor een werkplek op het stadhuis, derhalve een andere locatie. Bezwaarlijk valt in te zien waarom betrokkene in die laatste omstandigheid geen reden heeft gezien om niet langer vast te houden aan haar eis van een werkplek binnen de afdeling Stedelijke Ontwikkeling en niet binnen haar eigen afdeling Sociale Voorzieningen. Betrokkene stelde zich steeds op het standpunt dat haar geen enkele blaam trof en dat alle schuld lag bij D. Zij heeft zelfs de eis gesteld dat D cursussen zou volgen ter versterking van zijn zelfbeheersing en zich zou laten ondersteunen door een “mental coach”, er daarbij aan voorbij ziende dat zij zich niet in de positie bevond om dergelijke eisen te stellen.

4.7. In de periode van januari 2002 tot november 2002 hebben partijen overlegd en gecorrespondeerd over het ingaan van een mediationtraject. Begin november 2002 hebben partijen gezamenlijk een mediator aangewezen. In het kader van de mediation zijn zes gesprekken gevoerd. Begin februari 2003 is geconcludeerd dat niet tot overeenstemming kon worden gekomen. Betrokkene was niet bereid tot het volgen van een outplacementprocedure en wilde ook niet in een functie bij een andere afdeling van de gemeente geplaatst worden. Zij wilde uitsluitend terugkeer in haar oude functie maar was om redenen als aan het slot van 4.6. aangegeven niet van zins te voldoen aan de daartoe door appellant gestelde voorwaarden.

4.8. Gelet op het aanzienlijke oordeel dat betrokkene blijkens hetgeen hiervoor is overwogen in het voortbestaan van het conflict heeft gehad is de Raad met appellant van oordeel dat voor toekenning van een aanvullend geldbedrag aan haar geen aanleiding was.

4.9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten dient te worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2003 dient derhalve in zijn geheel ongegrond te worden verklaard.

5. Dit geding strekt zich voorts op de voet van artikel 6:19 mede uit tot het onder 2.2. vermelde besluit van 5 oktober 2004. Nu aan dit besluit gezien de vernietiging van de aangevallen uitspraak de grondslag komt te ontvallen, komt dit besluit voor vernietiging in aanmerking.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2003 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2006.