Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX3176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2006
Datum publicatie
22-05-2006
Zaaknummer
04-4965 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Had de Minister de aanstelling van betrokkene dienen te verlengen in verband de geambieerde functie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/4965 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 augustus 2004, nr. AWB 03/3472 AW (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: Minister).

Datum uitspraak: 27 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.W. Alt, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B. Benard, advocaat te ’s-Gravenhage. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door B.M. Baert, werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is na een periode van uitzendwerk met ingang van 10 juni 2002 aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij verrichtte aldaar werkzaamheden ter uitvoering van de zogenoemde IKAP-regeling. In januari 2003 heeft appellant op aangeven van een functionaris van de personeelsafdeling intern gesolliciteerd naar een omstreeks februari/maart 2003 vrijkomende functie van archivaris/budgetadministrateur bij de directie Veiligheidsdienst Buitenlandse Zaken (hierna: VDB). Appellant is na een positief verlopen selectieprocedure voor benoeming in die functie voorgedragen, maar op 23 januari 2003 is hem mondeling meegedeeld dat een benoeming geen doorgang kon vinden omdat hij dan per 10 juni 2003 op grond van de zogenoemde Flexwet meteen in vaste dienst zou moeten worden aangesteld, hetgeen de VDB niet wenselijk achtte.

1.2. Op 25 maart 2003 is appellant aangezegd dat hij op non-actief wordt gesteld in verband met zijn negatieve gedrag sinds eind januari 2003. Appellant heeft diezelfde dag nog bezwaar gemaakt tegen het niet doorgaan van de aanstelling bij de VDB en tegen de op non-actiefstelling.

1.3. Bij brief van 28 maart 2003 is appellant (voorzover thans van belang) meegedeeld dat zijn aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd ingaande 10 juni 2003 van rechtswege eindigt en dat het dienstverband met hem per die datum beëindigd zal zijn.

De Minister heeft appellants brief van 25 maart 2003 aangemerkt als een prematuur bezwaarschrift tegen het besluit van 28 maart 2003.

1.4. Bij het bestreden besluit van 7 juli 2003 heeft de Minister, voorzover in hoger beroep van belang, overwogen dat het besluit dat appellant niet bij de VDB wordt aangesteld hem reeds op 23 januari 2003 bij de afronding van de interne sollicitatieprocedure mondeling is meegedeeld, dat het besluit van 28 maart 2003 uitsluitend ziet op de beëindiging van de aanstelling voor de IKAP-werkzaamheden en niet ook betrekking heeft op het niet voortzetten van het dienstverband in de vorm van een aanstelling bij de VDB. Om die reden èn omdat tegen het besluit van 23 januari 2003 in verband met artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen bezwaar kan worden gemaakt, heeft de Minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 7 juli 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, voorzover betrekking hebbend op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het niet verlengen van de aanstelling. De rechtbank was van oordeel dat de Minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 maart 2003 niet niet-ontvankelijk, maar ongegrond had dienen te verklaren, omdat dit besluit slechts betrekking had op het niet verlengen van de aanstelling in het kader van de IKAP-werkzaamheden en de bezwaargronden daartegen niet waren gericht. De rechtbank heeft voorts, voorzover appellant al niet in verzuim zou zijn met betrekking tot de bezwaartermijn, het ten overvloede gegeven standpunt van de Minister onderschreven dat voor appellant geen bezwaarmogelijkheden openstaan tegen het besluit om hem niet aan te stellen bij de VDB.

3. Partijen worden naar ter zitting is gebleken (uitsluitend) verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of de Minister de aanstelling van appellant per 10 juni 2003 op enigerlei wijze had dienen te verlengen in verband met aanstelling van appellant in de door hem geambieerde functie van archivaris / budgetadministrateur bij de VDB. Appellant meent dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het onder 1.3. genoemde besluit van 28 maart 2003 niet tevens inhield een beslissing hem geen aansluitende aanstelling te geven bij de VDB. Hij bestrijdt voorts het oordeel van de rechtbank dat hij op grond van artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb geen bezwaar kon maken of beroep kon instellen tegen het besluit hem niet aan te stellen bij de VDB en is van mening dat de motivering voor dat oordeel ondeugdelijk is. Appellant meent op die gronden dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten.

De Minister sluit zich op deze punten aan bij het oordeel van de rechtbank.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd het volgende.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 28 maart 2003 niet tevens een schriftelijke weigering inhield appellant aan te stellen bij de VDB. De Raad voegt aan de overwegingen van de rechtbank toe dat het besluit van 28 maart 2003 daaromtrent ook geen beslissing behoefde in te houden. Uit de gedingstukken blijkt immers dat aan appellant reeds op 23 januari 2003 conform de procedure bij interne sollicitaties mondeling was meegedeeld dat hij niet benoemd zou worden bij de directie VDB. De Raad is niet gebleken dat appellant op enig moment vóór 28 maart 2003 aan de Minister heeft verzocht deze mondelinge weigering op schrift te stellen. Aangezien de functie bij de VDB een reeds per 1 maart 2003 te vervullen vacature betrof en appellant, indien hij wel zou zijn benoemd, zijn werkzaamheden al op 3 februari 2003 zou hebben aangevangen, kon en mocht de Minister er op 28 maart 2003 van uitgaan dat die kwestie was afgewikkeld.

4.2. De Raad onderschrijft overigens niet het door de rechtbank ten overvloede gegeven oordeel dat - wat betreft de weigering appellant te benoemen bij de VDB - het besluit van 7 juli 2003 als primair besluit zou moeten worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad - zie de uitspraak van 25 juli 2005, LJN AU0538 - dient in een geval als het onderhavige de mondelinge mededeling zoals deze appellant op 23 januari 2003 stellig en zonder voorbehoud is gedaan, inhoudend dat hij de door hem geambieerde functie bij de VDB definitief niet krijgt, ingevolge artikel 8:1, tweede lid, van de Awb met een besluit te worden gelijkgesteld.

Daarvan uitgaande was de schriftelijke bevestiging van de afwijzing op 7 juli 2003 niet gericht op enig rechtsgevolg - dit was immers reeds op 23 januari 2003 teweeggebracht - en derhalve niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

4.3. De Raad constateert vervolgens dat appellant tegen de mondelinge afwijzing van zijn sollicitatie pas op 25 maart 2003 een bezwaarschrift heeft ingediend en daarmee de voor indiening van een bezwaarschrift geldende termijn van zes weken heeft overschreden. Dat appellant vanaf 3 maart 2003 enige weken ziek is geweest in verband met longontsteking vormt onvoldoende grond om te oordelen dat appellant met betrekking tot de termijnover-schrijding niet in verzuim is geweest. De Minister heeft bij het bestreden besluit de bezwaren van appellant tegen de mondeling meegedeelde weigering hem te benoemen dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.4. Gezien het vorenstaande komt de Raad niet meer toe aan de door de rechtbank ten overvloede gegeven overwegingen met betrekking tot het niet openstaan van bezwaar tegen de weigering hem aan te stellen.

4.5. Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak voorzover door appellant aangevochten met verbetering van gronden dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. van Zoelen-Altunc als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) B. van Zoelen-Altunc.

HD

27.04