Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX3101

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2006
Datum publicatie
22-05-2006
Zaaknummer
04-6272 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6272 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 september 2004, nr. 04 - 138 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks bestuur van het Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Waterland (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 18 mei 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Appellant is in persoon verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.W. Steuten, werkzaam bij CAPRA, en mr. A.T.M. Verheijden, secretaris van het Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Waterland (ISW).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is werkzaam in de functie van technisch medewerker milieu (TMM) bij het ISW.

Bij in maart 2003 genomen besluit heeft het dagelijks bestuur deze functie met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 overeenkomstig het advies van de waarderingscommissie gewaardeerd in schaal 9.

Bij het bestreden besluit van 4 december 2003 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen dit besluit met overneming van het advies van de bezwarencommissie Awb ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daartoe is overwogen dat het bestreden besluit is gebaseerd op het advies van de bezwarencommissie Awb, maar dat dit advies geen motivering bevat. Dit gebrek is niet geheeld doordat het dagelijks bestuur in het verweerschrift een motivering heeft gegeven. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met de artikelen 3:49 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vervolgens heeft de rechtbank de waardering van de functie van appellant echter alsnog inhoudelijk beoordeeld met als conclusie dat deze niet onhoudbaar is, reden waarom de rechtbank tevens heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De grieven van appellant richten zich tegen de waardering op de gezichtspunten K3 (structuur van de werkzaamheden), Z3 (overleg en contacten), V2 (verantwoordelijkheid voor het werken en functioneren van anderen) en V3 (verantwoordelijkheid voor de deelneming aan het beleid). Ter zitting heeft appellant zijn aanvankelijke grief terzake de waardering op gezichtspunt Z2 (leiding, controle of toezicht) niet langer gehandhaafd.

3.3.2. Alvorens op deze grieven in te gaan merkt de Raad op dat in de functie van TMM blijkens de desbetreffende functietypering werkzaamheden worden verricht in het kader van vergunningverlening en handhaving op het gebied van de Wet milieubeheer. Uit de in deze typering opgenomen taken voor de functiehouder komt verder naar voren dat deze functie in hoofdzaak een uitvoerend karakter heeft; de naam van de functie (TMM) duidt daar in feite ook op.

3.3.3. Onder 2.7. van de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de rechterlijke toetsing van een functiewaardering een terughoudende dient te zijn.

3.3.4. Met betrekking tot gezichtspunt K3 heeft het dagelijks bestuur de functie gewaardeerd op niveau d, met toekenning van het bij dit niveau maximaal mogelijke aantal punten van 8. In geschil is of de functie hier op niveau e had behoren te worden gewaardeerd. Voor een waardering op dit niveau is ingevolge de toepasselijke “Methode functiewaardering - methode voor het rangordenen van functies (MRF)” (hierna: Methode fuwa) nodig dat sprake is van gevarieerde werkzaamheden in een veld met een complexe structuur. Volgens het dagelijks bestuur staan het uitvoerende karakter van de functie, de inkadering ervan en de beperktheid van de functie tot het werkveld milieu, er aan in de weg om te kunnen speken van “gevarieerde werkzaamheden in een complexe structuur”. Weliswaar is het werk in de functie van TMM wel van een zekere complexiteit, maar niet in die mate dat van een veld met een complexe structuur moet worden gesproken in de zin van de Methode fuwa. Derhalve is volstaan met toekenning van score d met 8 punten.

De Raad overweegt dat blijkens de toelichting in de Methode fuwa voor een waardering op niveau e zoals door appellant bepleit, het moet gaan om werkzaamheden waarbij in sterke mate moet worden gecoördineerd, geïnterpreteerd en geïmproviseerd, terwijl voor een deel van het werk creativiteit is vereist. De Raad vindt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten in de functietypering. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat de door het dagelijks bestuur gegeven waardering niet onhoudbaar is. Dat appellant niet wordt aangestuurd door de handhavingscoördinator of de beleidsmedewerker doet hieraan niet af. Bovendien heeft zijn afdelingshoofd op dat vlak taken en bevoegdheden en wordt appellant door hem aangestuurd.

3.3.5. Waar het gaat om het gezichtpunt Z3 is de functie gewaardeerd op niveau d, met 6 punten. Ook ten aanzien van dit gezichtspunt bepleit appellant een waardering op niveau e. Gelet op de toelichting bij niveau e in de Methode fuwa is bij de waardering op dit gezichtspunt van belang of er sprake is van beleidsinbreng. Bij de functie TMM ligt de nadruk evenwel op uitvoering binnen de kaders van de bestaande wet- en regelgeving en instructies. Dat het wel eens voorkomt dat de wettelijke regels om praktische redenen niet kunnen worden uitgevoerd en dit dan tot overleg leidt met het desbetreffende bedrijf over de wijze waarop deze problematiek moet worden aangepakt, maakt dit niet anders, omdat het hierbij gaat om een incidenteel voorkomend aspect van de functie. Voorts heeft appellant zijn stelling dat hij een ver reikende persoonlijke inbreng heeft bij het overleg over de wijze van uitvoering van de regelgeving onvoldoende geconcretiseerd en aannemelijk gemaakt. Onder deze omstandigheden is de waardering op niveau d niet onjuist te achten. Bij niveau d kunnen 6,7 of 8 punten worden toegekend. Ingevolge het bepaalde onder 1.5 van de Methode fuwa wordt in zo’n geval de laagste gradering toegekend, tenzij er gegronde redenen zijn voor een hogere gradering, bijvoorbeeld als er in de functie elementen van een hoger niveau worden gesignaleerd. Mede gezien meergenoemd karakter van de functie heeft het dagelijks bestuur zich niet ten onrechte op het standpunt kunnen stellen dat van een gegronde reden in deze zin niet, althans onvoldoende is gebleken. De waardering ten aanzien van dit gezichtspunt is dan ook niet onhoudbaar.

3.3.6. Wat gezichtspunt V2 betreft heeft appellant gewezen op de voetnoot op bladzijde 25 van de Methode fuwa, waarin is vermeld dat ook zonder dat sprake is van een rechtstreeks hiërarchisch beheer, een zekere puntenwaardering kan worden toegekend voor die werkzaamheden waarin sprake is van beïnvloeding van het beheer over personen in een tot de organisatie behorende werkeenheid of dienstonderdeel voorzover deze beïnvloeding een dwingend karakter heeft. Appellant heeft aangevoerd dat hij aan het hier gestelde voldoet, aangezien de door hem aan gemeentelijke instanties uitgebrachte adviezen en rapporten een dwingend karakter dragen.

Dienaangaande overweegt de Raad dat, daargelaten dat niet valt in te zien dat adviezen en rapporten als door appellant bedoeld in verband met hun aard van dwingende aard kunnen zijn, dit gezichtspunt blijkens de toelichting daarbij in de Methode fuwa betrekking heeft op de verantwoordelijkheden van de betrokkene binnen de ambtelijke organisatie waarvan hij deel uitmaakt. Nu is gesteld noch gebleken dat appellant beschikt over verantwoordelijkheden voor het functioneren van anderen binnen het ISW, kan niet worden staande gehouden dat hem bij de waardering op dit gezichtspunt is tekort gedaan.

3.3.7. Met betrekking tot de waardering op het gezichtspunt V3 heeft appellant gesteld dat zijn inbreng ten behoeve van de beleidsvorming verder gaat dan het signaleren van probleempunten vanuit de praktijk. De waarderingscommissie heeft appellant hierin tot op zekere hoogte gevolgd en heeft ten aanzien van dit gezichtspunt dan ook het maximaal mogelijke puntenaantal op niveau d toegekend. Voorzover appellant van mening is dat de zwaarte van de functie noopt tot toekenning van niveau e, wijst de Raad erop dat in de toelichting terzake in de Methode fuwa is vermeld dat onder niveau d ook valt de specialist die adviezen verstrekt met het oog op de beleidsvoorbereiding. Gelet hierop en nu de functie TMM geen beleidsfunctie maar veeleer een uitvoeringsfunctie betreft, acht de Raad de hier toegekende score niet onhoudbaar.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. van Zoelen-Altunc als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) B. van Zoelen-Altunc.

HD

05.05