Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX2204

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
18-05-2006
Zaaknummer
04-5638 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding met kleindochter. Terugvordering. Invordering. Maandbedrag gewijzigd. Strijd met verdedigingsbeginsel. Onzorgvuldige voorbereiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/5638 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 september 2004, 04/508 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 28 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift, met een bijlage, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2006. Namens appellante is verschenen A.C. Nanlohy, wonende te Waalwijk. De Svb heeft zich laten vertegen-woordigen door J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 12 augustus 2003 heeft de Svb het aan appellante toegekende ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), met ingang van 1 maart 2001 herzien naar het pensioen voor een pensioengerechtigde die een gezamenlijke huishouding voert, omdat sindsdien een kleindochter van appellante bij haar woonde. Nadat was vastgesteld dat, gelet op het inkomen van de kleindochter, geen aanspraak bestond op een toeslag krachtens de AOW, heeft de Svb bij besluit van 28 november 2003 het over het tijdvak van maart 2001 tot en met augustus 2003 te veel betaalde ouderdomspensioen ad € 8.642,07 van appellante teruggevorderd. Ten aanzien van de invordering van dit bedrag is in dit besluit bepaald dat appellante elk jaar in de maand maart een bedrag van € 648,38 dient terug te betalen te beginnen in maart 2004.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, waarbij zij heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met de betaling van € 648,38 per jaar, mits zij ieder jaar in maart de zogenoemde Rietkerkuitkering zal ontvangen. Verder heeft appellante verzocht om dit bedrag in de maand april van ieder jaar te mogen betalen.

Bij beslissing op bezwaar van 16 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het besluit van 28 november 2003 herroepen en is nader bepaald dat de invordering van het te veel betaalde ouderdomspensioen zal plaatsvinden vanaf maart 2004 door middel van een maandelijkse verrekening van € 284,84 met het ouderdomspensioen van appellante.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het bestreden besluit niet in strijd met het verbod van reformatio in peius is genomen, nu de Svb ook los van de bezwaarprocedure bevoegd was de fout ten aanzien van het invorderingsbedrag te herstellen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de Svb appellante ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op het gewijzigde standpunt, zodat het bestreden besluit wegens strijd met het verdedigingsbeginsel niet in stand kan blijven. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten onrechte in stand zijn gebleven en heeft verzocht te bepalen dat de Svb het primaire besluit van 28 november 2003 dient uit te voeren. De Svb heeft in hoger beroep een nader besluit van 24 september 2004 overgelegd, waarin het bedrag van de verrekening vanaf oktober 2004 nader is vastgesteld op € 91,30 per maand.

Ter zitting van de Raad is namens gedaagde medegedeeld dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd, nu nader is gebleken dat in ieder geval over het tijdvak van maart 2004 tot oktober 2004 het maandelijks te verrekenen bedrag niet juist is berekend en dat nader bezien dient te worden of het vanaf oktober 2004 gehanteerde bedrag juist is.

Ook de Raad is van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voor-bereid. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De Svb dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van het hetgeen hiervoor is overwogen.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het griffierecht in hoger beroep ad € 102,- aan appellante dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) S. Sweep.