Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AX1927

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
22-05-2006
Zaaknummer
04-7293 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging opleiding tot rechter.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:62, geldigheid: 2006-04-13
Algemene wet bestuursrecht 8:62, geldigheid: 2006-04-13
Algemene wet bestuursrecht 8:62, geldigheid: 2006-04-13
Wet op de rechterlijke organisatie 7, geldigheid: 2006-04-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/119

Uitspraak

04/7293 AW

CENTRALE RAAD VAN BEROEP

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

en

het bestuur van de rechtbank Breda (hierna: verweerder).

Datum uitspraak: 13 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 november 2004 (hierna: bestreden besluit) waarbij haar bezwaar tegen de beëindiging van haar opleiding tot rechter ongegrond is verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2006. Appellante is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Steenbeek en mr. G.J.E. Poerink, respectievelijk president en sectorvoorzitter van de rechtbank Breda.

II. OVERWEGINGEN

1. De behandeling van het geschil

1.1. Het door appellante, rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Breda, ingestelde beroep betreft een beslissing waarbij haar rechtspositioneel belang rechtstreeks is betrokken. Het beroep heeft grotendeels betrekking op de negatieve beoordeling van de door haar als rechter in opleiding geleverde schriftelijke en mondelinge bijdrage in raadkamer.

1.2. In het bezwaar- en beroepschrift heeft appellante feiten en omstandigheden aangevoerd die raken aan, of vallen onder de in artikel 7, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie aan de rechter opgelegde plicht tot geheimhouding van hetgeen is geuit in raadkamer. Door verweerder is in de bezwaarfase en in het verweerschrift inhoudelijk op de stellingen van appellante ingegaan.

1.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Raad geen acht mag slaan op al hetgeen valt onder het geheim van raadkamer. Appellante is van mening dat het geheim van raadkamer, voorzover al aan de orde, niet zo absoluut heeft te gelden. In het recht op een eerlijk proces ligt haars inziens besloten dat zij als partij vrijelijk alle van belang zijnde feiten en omstandigheden ter kennis van de rechter moet kunnen brengen. Zij heeft verzocht in verband met het geheim van raadkamer en in verband met de aard van de zaak en het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer de behandeling te laten plaatsvinden met gesloten deuren.

1.4. De Raad heeft besloten tot behandeling met gesloten deuren als voorzien in artikel 8:62, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht. Hij achtte de door appellante genoemde aspecten van de aard van de zaak en van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zodanig dat afwijking was geboden van het uitgangspunt van openbaarheid van de zitting. Wel was hij van oordeel dat het belang van een goede rechtspleging in dit geval ernstig zou kunnen worden geschaad door een openbare behandeling. Het gaat dan zowel om de goede rechtspleging in het algemeen - het is niet de bedoeling dat het geheim van raadkamer wordt prijsgegeven aan de openbaarheid -, als om de goede rechtspleging in de onderhavige zaak - appellante moet haar belang van rechterlijk ambtenaar als zodanig naar behoren kunnen behartigen.

1.5. Bij dit laatste is aangetekend dat appellante, gegeven de in beginsel op haar rustende geheimhoudingsplicht, ook bij een behandeling met gesloten deuren niet verder dient te gaan dan strikt noodzakelijk is. Het moet gaan om wezenlijke grieven en/of argumenten. In de bezwaarfase kan verweerder daarvan kennis nemen en daarop acht slaan bij de heroverweging van zijn primaire besluit - zoals overigens ook is geschied - en in beroep kan de Raad daarvan kennis nemen en daarover een oordeel geven.

2. De inhoud van het geschil

2.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1.1. Appellante is met ingang van 1 september 2003 in opleiding genomen in de sector Handelsrecht voor de duur van een half jaar. Aan het einde van deze fase twijfelden de opleiders over de geschiktheid van appellante voor een rechtersfunctie. Zij waren van oordeel dat de door appellante geconcipieerde vonnissen, in het bijzonder ten aanzien van de competentie probleemanalyse / bondigheid, een sterk wisselend beeld te zien gaven. Aan appellante is daarop de mogelijkheid gegeven van een verlengde opleiding voor de duur van twee maanden. Daarin werd van appellante verwacht dat zij in vijf zaken van gemiddelde zwaarte een vonnis concipieerde met een voldoende waardering. Appellante heeft van dit aanbod gebruik gemaakt.

2.1.2. Aan het einde van de verlengde opleidingsfase hebben de opleiders vastgesteld dat appellante in slechts drie zaken een vonnis had geconcipieerd en hebben zij geconcludeerd dat deze concepten in analytisch opzicht te kort schoten en een wanordelijke opzet vertoonden. Van een stijgende lijn in de kwaliteit was dus geen sprake.

2.1.3. Verweerder heeft daarom besloten de opleiding van appellante te beëindigen. Na bezwaar heeft verweerder die beslissing gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2.2. Appellante heeft, kort samengevat, tegen de beslissing aangevoerd dat deze in strijd is genomen met de opleidings- en beoordelingsregels, met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat geen rekening is gehouden met een in één van de zaken gerezen integriteits-incident en met de kwestie van een door haar gestelde incompatibilité des humeurs met één van de betrokken rechters, met het gelijkheidsbeginsel in verband met het aantal van haar verwachte vonnissen en met het motiveringsbeginsel omdat niet steeds verslagen zijn opgemaakt en stellingen en conclusies van verweerder niet zijn onderbouwd.

2.3. Verweerder heeft in zijn verweerschrift uitvoerig gemotiveerd aangegeven dat deze grieven geen doel kunnen treffen.

3. De Raad overweegt hieromtrent als volgt.

3.1. Aan het beëindigen van de opleiding is ten grondslag gelegd de onder 2.1.2. vermelde conclusie van appellantes opleiders. De Raad moet daarom, behoudens de hier in aanmerking komende toetsing aan regels van geschreven of ongeschreven recht, toetsen of de door de opleiders gemaakte beoordeling van het functioneren van appellante een deugdelijke grondslag biedt voor de beëindigingsbeslissing. Hij wijst er reeds op deze plaats op dat, gelet op de onder 2.1.1. geschetste gang van zaken, het zwaartepunt van die toetsing ligt op de situatie aan het einde van de verlengde opleidingsperiode.

3.2.1. De Raad is van oordeel dat de grieven van appellante betreffende de strijd met de toepasselijke regels en met het motiveringsbeginsel omdat niet steeds verslagen zijn opgemaakt, geen doel treffen. De opleiding en de verlenging daarvan zijn in grote lijnen geschied met inachtneming van de beleidsregels vervat in het Opleidings- en beoor-delingsstatuut voor gerechtsauditeurs en rechters-plaatsvervanger van de rechtbank Breda en in de r.i.o.-richtlijnen sector handelsrecht van die rechtbank. Het door appellante genoemde Model-opleidingsstatuut is niet van toepassing.

3.2.2. De Raad is voorts van oordeel dat appellante door de - door verweerder erkende - onzorgvuldigheid met betrekking tot de verslaglegging niet bij de beoordeling is benadeeld, terwijl dat ook geldt voor de omstandigheid dat het kennelijk onmogelijk was voor appellante gedurende enige tijd contact te krijgen met haar mentor. De Raad kan zich vinden in hetgeen door verweerder daarover is opgemerkt en verwijst voorts naar hetgeen de Raad aan het slot van 3.1. heeft overwogen.

3.2.3. Met verweerder ziet de Raad niet in dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Aan appellante is met inachtneming van de r.i.o.-richtlijnen sector handelsrecht de eis gesteld van een bepaald aantal te vervaardigen concepten. Niet is gesteld dat bij de beoordeling van andere rechters in opleiding in de sector Handelsrecht een afwijkende norm is gehanteerd, wat daarvan ook overigens zou zijn.

3.3.1. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 6 oktober 2005, LJN AU4260 en TAR 2005, 179) kan de rechter een beoordelingsbesluit slechts terughoudend toetsen. Het gaat er uiteindelijk om of het totale beeld van de beoordeling niet op onvoldoende gronden berust. Voorts kan de beoordeling niet los worden gezien van de situatie waarin deze plaatsvindt. In het geval van appellante is dat de omstandigheid van een herkansing die is gericht op een functioneren - als rechter - dat boven iedere twijfel verheven moet zijn.

3.3.2. Onbetwist is dat alle betrokken rechters / opleiders de in de verlengde opleidingsfase gemaakte concept-vonnissen van onvoldoende kwaliteit hebben geacht. Dat is een waardering die ver verwijderd blijft van de - met het oog op een voor het leven te verlenen benoeming tot rechter, gerechtvaardigde - eis van vonnissen van een voldoende niveau. Aldus kan de Raad niet zeggen dat het totale beeld dat verweerder had aan het einde van de gehele opleiding, gegeven reeds de twijfel aan het einde van de eerste opleidingsfase, op onvoldoende gronden berust.

3.3.3. De Raad kan appellante tot slot niet volgen in haar stelling dat verweerder daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met de integriteitskwestie en met de incompatibilité des humeurs. Beide kwesties, de juiste inhoud daarvan in het midden latend, hebben zich voorgedaan in de eerste opleidingsfase. Dat deze kwesties in de verlengde fase een voor appellante nadelige doorwerking hebben gehad aan de kant van verweerder, is de Raad niet gebleken. Zo heeft hij geen enkele aanwijzing gevonden voor de ter zitting door appellante geponeerde stelling dat de in die fase bij de concepten betrokken rechters (allen) niet objectief waren. Van appellante mag als aankomend rechter worden verwacht dat zij zich door de bedoelde kwesties niet gehinderd zou weten bij het concipiëren van de gevraagde vijf vonnissen, waarbij die kwesties als zodanig niet aan de orde zijn.

4. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.

HD

27.03

Q