Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW7948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2006
Datum publicatie
04-05-2006
Zaaknummer
04/1920 WAZ, 04/1921 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAZ-uitkering. Juistheid vastgesteld maatmaninkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/1920 WAZ, 04/1921 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 maart 2004, 02/3142 en 03/2042 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 21 april 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadien stukken toegezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 17 maart 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. E. Schenkius, advocaat te Leiden. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde, door partijen niet bestreden feiten. Deze komen op het volgende neer.

Appellante heeft haar werkzaamheden als zelfstandig archeobotanicus met ingang van 8 maart 1999 wegens ziekte gedeeltelijk gestaakt. Gemiddeld heeft appellante over de jaren 1996 tot en met 1998 een (geïndexeerde) jaarwinst behaald van € 13.117,42. Dit bedrag is door het Uwv als zogeheten maatmaninkomen in aanmerking genomen.

De inleidende beroepen richten zich tegen de besluiten van 11 juli 2002 en 3 april 2003, waarbij het Uwv achtereenvolgens zijn besluit van 6 december 2001 heeft herroepen voor wat betreft de hoogte van het maatmaninkomen en dat besluit voor het overige heeft gehandhaafd en het besluit van 28 november 2002 heeft gehandhaafd, onder respectievelijke gegrond- en ongegrondverklaring van de tegen beide primaire besluiten gemaakte bezwaren.

Bij het besluit van 6 december 2001 is de betaling van de eerder aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) over de periode van 6 maart 2000 tot 1 januari 2001 in verband met haar inkomsten op nihil gesteld. Bij het besluit van 28 november 2002 is de betaling van de WAZ-uitkering aan appellante over 2001 in verband met haar inkomsten over dat jaar eveneens op nihil bepaald. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat de hoogte van de door appellante over de belang zijnde tijdvakken (feitelijk) gerealiseerde inkomsten ten minste 75% bedraagt van haar zogenaamde maatmaninkomen.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of bijzondere omstandigheden nopen tot de vaststelling van het maatgevende inkomen op een hoger bedrag dan volgens de reguliere, in de rechtspraak ontwikkelde berekeningsmethode. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat de door haar over 1996 tot en met 1998 gerealiseerde winst niet representatief is voor haar verdiencapaciteit, omdat zij in die jaren relatief veel tijd heeft gestoken in een uniek archeologisch project in het buitenland. De daarin door haar gestoken tijd is voor een belangrijk deel onbetaald gebleven; haar inspanningen beschouwde appellante mede als een investering in de toekomst, doordat zij hiermee haar naam zou kunnen vestigen. Van die investering heeft zij door haar ziekte echter niet (meer) kunnen profiteren.

Deze beroepsgrond is naar het oordeel van de Raad terecht door de rechtbank verworpen. Bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige geldt als uitgangspunt de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Hetgeen appellante heeft aangevoerd vormt onvoldoende grond voor een afwijking van dit uitgangspunt. Haar tijdsinvestering deed appellante met het oog op het vestigen van haar naam en het verwerven van toekomstige (wel volledige betaalde) projecten en vormt daarmee in wezen een, tot het normale ondernemersrisico behorende acquisitieactiviteit. De omvang van de activiteiten en het bijzondere karakter van het buitenlandse archeologische project doen hieraan niet af.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D. J. van der Vos als voorzitter en W.J. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 april 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.