Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW7932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
04-05-2006
Zaaknummer
04/3804 CSV + 04/3779 CSV + 04/3808 CSV + 04/4147 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ploegendienst. Is er bij de afdracht van premies teveel loondagen in aanmerking genomen en is om die reden te hoge bedragen premies afgedragen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/3804 CSV

04/3779 CSV

04/3808 CSV

04/4147 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 juni 2004, reg.nrs. 03/3848, 03/3849, 03/3850 en 04/194 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen

1. [B.V. 1] en

2. [B.V. 2], beiden gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkenen)

en

appellant

Datum uitspraak: 13 april 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellant is in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraken.

Namens betrokkenen heeft mr. R.S. Ferouge, werkzaam bij Loyens & Loeff te Amsterdam, verweerschriften ingediend.

Bij brief van 29 november 2005 heeft appellant overgelegd een faxbericht, gedateerd 28 september 2005, van de gemachtigde van betrokkenen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door L.E. Willemen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl betrokkenen - zoals aangekondigd - zich niet hebben laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

De aangevallen uitspraken hebben betrekking op drie besluiten van appellant van 5 augustus 2003, een besluit van 26 augustus 2003 en een besluit van appellant van 5 december 2003. Bij deze besluiten heeft appellant gehandhaafd de afrekeningnota’s over het premiejaar 2002, die hij betrokkenen heeft doen toekomen. Voorts heeft appellante gehandhaafd zijn besluiten van 16 januari 2003 en 3 juli 2003, waarbij hij heeft geweigerd de over eerdere jaren vastgestelde premienota’s te herzien.

De door betrokkenen ingediende bezwaren en gedane verzoeken zijn ingegeven door ’s Raads uitspraak van 31 mei 2001 (RSV 2001/184). Nu haar werknemers evenzeer in ploegendienst werkzaam zijn in de off shore-sector, hebben betrokkenen zich op het standpunt gesteld dat er bij de afdracht van premies teveel loondagen in aanmerking zijn genomen en zij om die reden naar te hoge bedragen premies hebben afgedragen.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat, voor wat betreft de afrekeningnota’s 2002 betrokkenen zich terecht hebben beroepen op voormelde uitspraak van de Raad. Dat het bij betrokkenen gaat om zeven dagen op, zeven dagen af in plaats van veertien dagen op, veertien dagen af, heeft de rechtbank niet doorslaggevend geacht. Met betrekking tot de weigering van appellant om de nota’s over eerdere jaren te herzien heeft de rechtbank overwogen dat aan alle voorwaarden is voldaan om met toepassing van artikel 11, vierde lid, in samenhang met artikel 9, eerste lid, van de CSV de nota’s over deze jaren te herzien. Wegens strijd met deze wetsbepalingen heeft de rechtbank appellants daarop betrekking hebbende, op bezwaar genomen besluiten vernietigd. Artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank niet van toepassing geacht.

De Raad volgt de rechtbank hierin niet en overweegt daartoe het volgende.

Blijkens het door appellant overgelegde faxbericht van 28 september 2005, vermeld in rubriek I, is na intern onderzoek bij betrokkenen komen vast te staan dat de werkroosters van haar werknemers zodanig zijn dat er geen kalenderweken zijn aan te wijzen waarin in het geheel geen arbeid wordt verricht, behoudens ziekte en verlof. De weekdiensten vangen meestal aan op maandag en in voorkomende gevallen op woensdag of vrijdag en eindigen de week daarop op respectievelijk maandag, woensdag en vrijdag.

Naar het oordeel van de Raad heeft te zijner zitting de gemachtigde van appellant er terecht op gewezen dat in verband met het bepaalde in artikel 9, vijfde lid, van de CSV het in het faxbericht gestelde met zich brengt een aantal van vijf zogeheten loondagen per week, gelijk bij de nota’s waarop zijn besluiten betrekking hebben is geschied. Reeds hierom moet worden vastgesteld dat er geen grond aanwezig is voor het oordeel dat appellants besluiten in rechte geen stand kunnen houden. Overigens is de Raad, anders dan de rechtbank, met betrekking tot de door betrokkenen gedane verzoeken om herziening van de nota’s van voor 2002 van oordeel dat artikel 4:6, eerste lid, van de Awb onverkort van toepassing is.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd en de inleidende beroepen alsnog ongegrond moeten worden verklaard.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) S.W.H. Peeters.