Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW7288

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2006
Datum publicatie
03-05-2006
Zaaknummer
04-6508 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BC7210
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op AOW-uitkering vanwege onverzekerde tijdvakken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/6508 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (België) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 oktober 2004, 03/1237 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 21 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2006. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en de Svb als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

" Eiser, geboren 27 december 1937, heeft op 10 juli 2002 een uitkering aangevraagd ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). De echtgenote van eiser is woonachtig geweest in België gedurende de perioden 12 maart 1961 tot en met

31 maart 1967 en 27 februari 1981 tot en met 27 december 1999. De echtgenote van eiser heeft aldaar gewerkt van 1 juni 1961 tot en met 31 mei 1967.

Verweerder heeft bij (primair) besluit van 5 november 2002 een volledige AOW-uitkering toegekend alsmede een toeslag ten behoeve van de jongere echtgenote van eiser.

Op deze toeslag was een korting toegepast van 42% op de grond dat de echtgenote van eiser niet verzekerd is geweest van 12 maart 1961 tot en met 31 mei 1967 en van 23 december 1984 tot en met 27 december 1999.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit voorzover het de toegepaste korting op de toeslag betreft.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift gegrond verklaard, met dien verstande dat de toegepaste korting op de toeslag is verlaagd van 42% naar 32%. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de tijdvakken 12 maart 1961 tot en met 31 mei 1967 en 2 augustus 1989 tot en met 27 december 1999 niet als verzekerde perioden in aanmerking worden genomen.

Voor eerstgenoemde periode is de reden volgens verweerder gelegen in het feit dat eisers echtgenote, door het verrichten van arbeid in België, over dit tijdvak een zelfstandige verzekering heeft opgebouwd in België. Dit tijdvak dient derhalve niet te worden meegenomen in de berekening van eisers toeslag.

Het als tweede genoemde tijdvak dient naar het oordeel van verweerder evenmin te worden meegenomen in de berekening van de toeslag, omdat volgens de EG-verordening 1408/71 slechts huwelijkse tijdvakken kunnen worden toegekend tot

2 augustus 1989. Na deze datum bestaat een mogelijkheid voor een vrijwillige verzekering, waarvan de echtgenote van eiser geen gebruik heeft gemaakt. In totaal beslaan de niet-verzekerde tijdvakken een periode van naar beneden afgerond 16 jaar. Derhalve dient een korting te worden toegepast van 16 maal 2% is 32%.

Eiser heeft – kort samengevat – aangevoerd dat hij recht heeft op een volledige toeslag, omdat de band met Nederland zowel privé als beroepsmatig steeds aanwezig is geweest, alsmede dat hij loonbelasting en premies volksverzekeringen heeft voldaan in Nederland. Hij voert voorts aan dat hij en zijn echtgenote door de huidige wetgeving ernstig benadeeld zijn en dat de toegepaste wetgeving discriminerend is en niet past bij de eenwording van Europa."

De rechtbank heeft als volgt geoordeeld:

" Verweerder heeft de tijdvakken 12 maart 1961 tot en met 31 mei 1967 en

2 augustus 1989 tot en met 27 december 1999 aangemerkt als niet-verzekerde perioden.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de echtgenote in de periode dat zij woonachtig en werkzaam was in België (12 maart 1961 tot en met 31 mei 1967), aldaar een zelfstandige verzekering heeft opgebouwd en derhalve niet in Nederland verzekerd was. Deze periode is door verweerder dan ook terecht aangemerkt als een niet-verzekerde periode. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser en zijn echtgenote eerst op 31 maart 1967 zijn gehuwd.

Datzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de periode 2 augustus 1989 tot en met 27 december 1999. Immers, slechts tot 2 augustus 1989 geldt, ingevolge de EG-verordening 1408/71, bijlage VI, voor de echtgenote van eiser dat zij als verzekerd wordt aangemerkt omdat eiser AOW verzekerd was, waardoor de toeslag niet wordt gekort. Echter, door een wijziging geldt vanaf 2 augustus 1989 een ander regime, namelijk dat van de vrijwillige verzekering. Dit brengt met zich dat de echtgenote van eiseres zich voor deze vrijwillige verzekering had moeten aanmelden, en wel vóór 2 augustus 1990. Nu zij dit heeft nagelaten, is zij met ingang van

2 augustus 1989 niet verzekerd, zodat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat vanaf die datum een korting op de toeslag moet worden toegepast.

Eiser heeft ter zitting herhaald wat hij reeds in zijn beroepschrift heeft vermeld. Tevens heeft hij aangevoerd dat hij een keer heeft gebeld met verweerder en dat, nadat hij zijn situatie had uitgelegd, verweerder hem heeft medegedeeld dat zijn echtgenote wel verzekerd was.

Ten aanzien hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verkeerd is voorgelicht door verweerder, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

Met betrekking tot de door eiser aangevoerde discriminatie ten opzichte van echtgenoten die in het buitenland wonen, overweegt de rechtbank dat de EG-verordening juist in het leven is geroepen om de discriminatie van gehuwde vrouwen ongedaan te maken. Dat geldt ook voor de periode na 1989, met dien verstande dat er toen een mogelijkheid was voor de echtgenote van eiseres om zich vrijwillig te verzekeren."

Het beroep is ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant de in bezwaar en in eerste aanleg aangevoerde grieven in hoofdzaak herhaald. Appellant acht de wijziging van EG-verordening 1408/71, Bijlage VI, vanaf 2 augustus 1989, ten opzichte van hem discriminerend.

In verweer is namens de Svb, onder aanhaling van rechtspraak van de Raad, opgemerkt dat van discriminatie geen sprake is. Met betrekking tot de informatieverstrekking aangaande de wijziging van de verordening wordt opgemerkt dat onder meer via vakbladen voor personeelsbeleid en de Nederlandse lokale media in de grensstreken bekendheid is gegeven aan de wijziging van de verordening. Gewezen wordt verder op de uitspraak van de Raad van 24 december 1996, gepubliceerd in RSV 1997, 1999, waarin de Raad heeft geoordeeld dat op de Svb niet een op nationaal of internationaal recht gestoelde verplichting rust om de belanghebbenden tijdig te informeren omtrent de wijziging van Bijlage VI van de verordening.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de Svb terecht op de toeslag bij appellants AOW-uitkering een korting heeft toegepast van 32%.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en hij stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellants stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel.

De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om de Svb op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 april 2006.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M.F. van Moorst.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

MK