Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW6947

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2006
Datum publicatie
03-05-2006
Zaaknummer
05/2841 BPW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening van de afwijzing aanvraag om toekenning van een pensioen ingevolge de BPW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2841 BPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).

Datum uitspraak: 20 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Onder dagtekening 14 maart 2005, kenmerk 83593, heeft verweerster ten aanzien van appellant een besluit genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de Raad.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2005. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door

[naam broer] te [plaatsnaam]. Verweerster heeft zich, met voorafgaand bericht, niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken is een door appellant, geboren in 1928, in januari 1986 ingediende aanvraag om toekenning van een pensioen ingevolge de Wet afgewezen bij besluit van 28 maart 1989, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

27 december 1990, op de grond dat appellant niet kan worden aangemerkt als deelnemer aan het verzet in de zin van de Wet.

Het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep heeft de Raad bij uitspraak van 27 november 1992, nr. BPW 1991/2, ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de Raad overwogen - zeer kort samengevat - dat de ten aanzien van appellant in beeld gekomen verspreidingsactiviteiten van illegale lectuur en deelname aan een tweetal nachtelijke voedselacties te weinig gewicht in de schaal leggen om tot aantasting van de bestreden afwijzing te kunnen komen. In dit verband heeft de Raad in aanmerking genomen dat van andere verzetsactiviteiten - waaronder met name de gestelde betrokkenheid bij een geslaagde actie tot bevrijding van een aantal Joodse personen in januari 1945 - onvoldoende is kunnen blijken.

Na de, onberoepen gebleven, afwijzing door verweerster van een eerder verzoek daartoe heeft appellant zich in maart 2003 wederom gewend tot verweerster om haar afwijzende besluiten over de aanvraag van januari 1986 in zijn voordeel te herzien en hem alsnog aan te merken als deelnemer aan het verzet. Appellant heeft ter ondersteuning hiervan met name gewezen op verklaringen van een nieuwe getuige, zijnde [naam broer] voornoemd, aangaande zijn betrokkenheid bij de bovenvermelde bevrijdingsactie.

Verweerster heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 14 mei 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het nu bestreden besluit van 14 maart 2005, op de grond - samengevat - dat de thans ingebrachte verklaringen niet een zodanig ander licht werpen op de onderhavige gebeurtenis, mede gelet op hetgeen terzake eerder door appellant zelf en door andere referenten is verklaard, dat herziening van het eerdere oordeel is aangewezen.

Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan worden aangetast. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Op grond van artikel 42a van de Wet is verweerster, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, bevoegd een door haar gegeven definitief besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien.

Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen betekent dat aan verweerster bij de uitoefening daarvan een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt voor dit geval mee dat de Raad het oordeel van verweerster dat onvoldoende aanleiding bestaat om terug te komen van haar bij haar eerdere besluitvorming vastgelegde standpunt omtrent de door appellant gestelde verzetsdeelname in beginsel dient te respecteren. Dit kan hier alleen anders zijn indien moet worden gezegd dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die op de rol van appellant bij de genoemde bevrijdingsactie een zodanig ander licht werpen dat verweerster in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren om haar standpunt alsnog te wijzigen.

Tot deze laatste slotsom is de Raad echter niet kunnen komen.

Daarbij is van belang dat bij de beoordeling van de eerdere aanvragen van appellant reeds zeer uitvoerig onderzoek werd verricht, ook met betrekking tot de onderhavige bevrijdingsactie, waarbij meerdere personen die deze actie van nabij hebben meegemaakt zijn gehoord. Uit die verklaringen is - zoals ook de Raad in zijn bovenvermelde uitspraak heeft vastgesteld - van een voor de toepassing van de Wet betekenisvolle rol van appellant niet gebleken.

Hoewel niet kan worden ontkend dat in de nu ingebrachte verklaringen van de getuige [naam broer] - die zich destijds als tienjarige jongen bevond onder de bevrijde personen en meent appellant te kunnen herkennen als een van degenen die hen na de bevrijding verder heeft begeleid naar een schuilplaats en hen daar enige dagen van voedsel heeft voorzien - de rol van appellant in positieve zin is geaccentueerd, kan anderzijds verweerster niet het recht worden ontzegd om deze nadere verklaringen te bezien in het licht van het geheel van de terzake al eerder ingebrachte getuigenverklaringen. Nu die andere verklaringen - waaronder een eerdere verklaring van de bij die actie eveneens aanwezige oudere broer van [naam broer] en de, nu herhaalde, verklaring van een andere toen aanwezige persoon, te weten [naam getuige] - appellants betrokkenheid niet bevestigen, kon verweerster naar 's Raads oordeel onvoldoende grondslag aanwezig achten voor herziening van het eerder terzake ingenomen standpunt.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 april 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.