Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW6918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2006
Datum publicatie
02-05-2006
Zaaknummer
05-1293 CSV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is betrokkene terecht als feitelijk beleidsbepaler als ware hij bestuurder op grond van artikel 16d CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gelaten sociale werknemersverzekeringspremies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/1293 CSV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 2 februari 2005, 04/436 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 april 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellant is in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak.

Namens het Uwv is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2006. Appellant is in persoon verschenen en heeft zich doen bijstaan door mr. A. van Vliet, advocaat te Bergen op Zoom. Het Uwv heeft zich - zoals aangekondigd - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

De aangevallen uitspraak heeft betrekking op het besluit van het Uwv van 28 mei 2004. Daarbij is gehandhaafd een beslissing van 27 juni 2003 waarbij appellant als feitelijk beleidsbepaler als ware hij bestuurder op grond van artikel 16d CSV hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [het lichaam] (het lichaam) over de jaren 2001 en 2002 onbetaald gelaten sociale werknemersverzekeringspremies ten bedrage van € 46.326,20.

De door appellant ingediende grieven in eerste aanleg en in hoger beroep zijn ingegeven door de opvatting dat hij weliswaar is opgetreden als beleidsbepaler als ware hij bestuurder, maar dat er zijnerzijds geen sprake is geweest van een handelwijze waarmede hij zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur. Hij brengt tegen die aanname zorgvuldigheids- en motiveringsgrieven naar voren onder vraag naar erkenning voor de juistheid van zijn eigen - door regelzucht van boven en economische pech- bepaalde visie.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het aannemelijk is dat er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur aan de kant van appellant als feitelijk beleidsbepaler van het lichaam. De rechtbank heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd:

-dat er een aantal ernstige tekortkomingen in de administratie en andere onjuistheden bij het lichaam zijn geconstateerd;

-dat als gevolg hiervan de premies werknemersverzekeringen niet zijn betaald;

-dat er in privé een lening door appellant is aangegaan, welke ter beschikking is gesteld aan het lichaam en welke vervolgens door het lichaam diende te worden afgelost;

-dat appellant als bestuurder eerder bij drie eerdere faillissementen van visverwerkingsbedrijven in dezelfde branche betrokken is geweest;

-dat appellant daardoor hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door het lichaam niet betaalde premies werknemersverzekeringen en dat het beroep deswege ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad volgt de rechtbank hierin op grond van de stukken en het verhandelde te zijner zitting en overweegt daartoe het volgende.

Appellant heeft als beaamde feitelijk beleidsbepaler van het lichaam, dat failliet ging op 15 augustus 2002, onverantwoorde administratieve en technische tekortkomingen van het lichaam te veel op zijn beloop gelaten en zijn financiele situatie in privé en van het lichaam op onaanvaardbare wijze met elkaar doen vermengen en heeft overigens niet die omzichtige zorg van een gelouterd bestuurder betracht voor het rendabel voeren van een onderneming welke van hem zeker na eerdere ervaringen met hem overkomen faillissementen als bestuurder van gelijksoortige ondernemingen tenminste had mogen worden verwacht juist ook ten aanzien van een structurele betaling van sociale werknemersverzekeringspremies van het lichaam.

De macro- economische problemen om in de visbranche het hoofd boven water te houden en de moeilijke persoonlijke en zakelijke omstandigheden waarmede appellant in het onderhavige geval kampte, met inzet van privé- middelen tegenover de personeelstekorten en slechte in- en verkoopcijfers van vis zoals nader geadstrueerd, wil de Raad weliswaar niet ontkennen, maar deze vormen op zichzelf en in onderling verband beschouwd geen toereikende rechtvaardigingsgronden welke de op zichzelf eerder geschetste doeltreffende gronden ter schraging van kennelijk onbehoorlijk bestuur van hem als feitelijk bepalend ondernemer vermogen weg te nemen. De voor appellant frequente negatieve bevindingen van de controleur [controleur] en van de looninspecteur [looninspecteur] alsmede die van de belastingdienst en de curator [curator] kunnen wat dit laatste aspect betreft immers niet, althans niet ten volle worden weggecijferd. Voor enig vervolgonderzoek ziet de Raad geen toereikende grondslag. Gezien laatstbedoelde bevindingen dienen ook de motiverings- en zorgvuldig- heidsgrieven van appellant jegens de eenzijdige besluitvorming door het Uwv en de op een en ander gebaseerde aangevallen uitspraak van de rechtbank te falen.

De op artikel 16d van de CSV gebaseerde aansprakelijkstelling van appellant als feitelijk beleidsbepaler van het lichaam kan dan ook de rechterlijke toetsing doorstaan.

De aangevallen uitspraak komt op grond van het vorenstaande voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.