Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW6729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2006
Datum publicatie
02-05-2006
Zaaknummer
04/5881 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plichtsverzuim ambtenaar werkzaam als personenvervoerder op de tram bij het GVB. Strafontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/5881 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2004, nr. 03/5137 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Penning, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P. Heijnen, advocaat te Hoorn. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Buurma, S.J.J. Oosterwegel en

E.J. de Zwart, allen werkzaam bij het Gemeentevervoerbedrijf (GVB) Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als personenvervoerder op de tram bij het GVB. Naar aanleiding van signalen dat op een drietal tramlijnen, met name bij buitenlandse toeristen, sprake was van onregelmatigheden bij de kaartverkoop door trambestuurders en conducteurs, heeft het management van het GVB het externe onderzoeksbureau Interseco BV opdracht gegeven om een observatieonderzoek in te stellen. Aanvankelijk ging het om een a-select onderzoek; het vervolgonderzoek werd gericht op die medewerkers bij wie tijdens de eerste observaties onregelmatigheden waren geconstateerd. Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft het College geconstateerd dat onder meer appellant zich aan onregelmatigheden heeft schuldig gemaakt door enkele keren aan passagiers na betaling geen plaatsbewijzen af te geven.

1.2. Nadat appellant zich omtrent het hem ten laste gelegde plichtsverzuim had verantwoord, is hij geschorst en bij besluit van 31 maart 2003 bij wijze van straf met onmiddellijke ingang ontslagen. Het College heeft tot dit ontslag besloten op grond van de bevindingen van Interseco BV en omdat in het persoonsdossier van appellant een berisping was aangetroffen van de directeur Trambedrijf en een verklaring van een collega over gelijksoortig onrechtmatig handelen. Het College heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 26 september 2003.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht dienaangaande het volgende.

3.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het onderzoek van Interseco BV en de wijze waarop dat is uitgevoerd, aan de daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid en objectiviteit te stellen eisen voldoet en dat het College de door de onderzoekers gerapporteerde bevindingen ten aanzien van appellant aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Dat de onderzoekers zich hebben voorgedaan als buitenlandse toeristen acht de Raad in de gegeven omstandigheden een passende en aanvaardbare onderzoeksmethode, aangezien de onregelmatigheden zich blijkens de binnengekomen signalen en klachten met name bij buitenlandse toeristen voordeden.

3.2. De Raad is voorts van oordeel dat genoegzaam vaststaat dat de onderzoekers voldoende zicht konden hebben op de betaaltafel van de bestuurder. Uit het rapport blijkt dat de onderzoekers het dienstwagennummer hebben genoteerd. Bij controle van die nummers door de dienstleiding is vastgesteld dat het ging om wagens met een open bestuurderscabine dan wel met een glazen cabine. De Raad heeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Dat een van de onderzoekers zich ter zitting van de rechtbank niet meer kon herinneren op welke plek in de tram hij zich ten tijde van de bij appellant gedane observaties precies bevond en of het al dan niet druk was in de tram of in het verkeer, kan aan het oordeel van de Raad omtrent de deugdelijkheid van het uitgevoerde onderzoek niet afdoen, nu de onderzoekers slechts rapporteerden en behoefden te rapporteren over wat ze ten aanzien van de bestuurder (of conducteur) hadden waargenomen en het management van het GVB en het College aan die waarnemingen conclusies hebben verbonden.

3.3. Evenmin heeft de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd aanleiding gevonden om in twijfel te trekken dat de gedane waarnemingen betrekking hadden op appellant. Appellant heeft niet, bijvoorbeeld aan de hand van dienstroosters, bestreden dat hij op de onderzochte tijdstippen dienst had op de desbetreffende tram.

3.4. Ook de grief dat appellant door het tijdsverloop tussen onderzoek en verantwoording in zijn verdediging is geschaad kan niet leiden tot het door appellant beoogde doel. Juist bij een onderzoek als het onderhavige is van belang om vast te stellen of er sprake is van een stelselmatige overtreding van de voorschriften, en niet van een incidentele vergissing, hetgeen een herhaald onderzoek buiten medeweten van de onderzochten noodzakelijk maakt. De Raad acht de resultaten van het onderzoek overtuigend genoeg om dit nadeel te passeren.

3.5. Op grond van dit onderzoek staat ook voor de Raad voldoende vast dat appellant op 19 juli 2002 aan beide onderzoekers van Interseco BV na betaling geen plaatsbewijs heeft verstrekt, dat dit diezelfde dag nogmaals is gebeurd bij een vader met twee kinderen, dat appellant ook op 18 oktober 2002 geen plaatsbewijzen verstrekte aan de medewerkers van Interseco en dat ditzelfde die dag nogmaals gebeurde bij een invalide passagier.

4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat ook de Raad van oordeel is dat het College op grond van deugdelijk vastgestelde gegevens heeft geconcludeerd dat appellant zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim als door het College omschreven. Daarmee heeft hij de schijn van frauduleus handelen op zich geladen. Niet gebleken is dat dit plichtsverzuim niet aan appellant zou kunnen worden toegerekend. De Raad gaat voorbij aan de pas ter zitting van deze Raad naar voren gebrachte verklaring van appellant dat hij ten tijde van belang anti-depressiva slikte, welke verklaring appellant ook niet met enig verifieerbaar gegeven heeft onderbouwd. Het College was daarom bevoegd om appellant disciplinair te straffen. Het College heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de onderzoeksbevindingen - welke bovendien nog hun bevestiging vinden in de onder 1.2. bedoelde verklaring van een collega (die anoniem wenste te blijven) over een vergelijkbaar incident met een groep Engelse toeristen - laten zien dat bij appellant sprake is van stelselmatige overtreding van de regels bij kaartverkoop, zodat er sprake is van ernstig plichtsverzuim.

4.1. Met betrekking tot de vraag of de opgelegde straf evenredig is aan het vastgestelde plichtsverzuim overweegt de Raad dat het College er, gezien de publieksfunctie van trambestuurders en de zelfstandigheid waarmee zij hun functie moeten uitoefenen, ten volle op moet kunnen vertrouwen dat zij hun verplichtingen nauwgezet naleven. De Raad is daarom evenals de rechtbank van oordeel dat het geconstateerde plichtsverzuim, zeker nu appellant tevoren niet van onbesproken gedrag was, oplegging van de zwaarste straf rechtvaardigt.

4.2. Appellant heeft nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en ter zitting van de Raad namen genoemd van twee medewerkers die zouden hebben bekend dat zij zich aan onregelmatigheden als de onderhavige hebben schuldig gemaakt en die niet zijn ontslagen. Dienaangaande heeft het College aangevoerd dat zeker is dat er naast appellant nog enkele andere medewerkers op grond van dit onderzoek strafontslag hebben gekregen, maar dat hij bij gebrek aan wetenschap thans niet kan ingaan op de bijzonderheden van de door appellant genoemde andere gevallen. De Raad is van oordeel dat onder deze omstandigheden een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

5. De Raad concludeert dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.