Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW6639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
02-05-2006
Zaaknummer
04/1058 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/1058 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 januari 2004, 2003/109 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2006. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was laatstelijk werkzaam als fulltime touringcarchauffeur. Op 30 juli 2001 heeft hij zich ziek gemeld wegens angineuze hartklachten. Tevens was er sprake van een ontregelde diabetes en been- en rugklachten. In november 2001 heeft hij een triple bypass operatie ondergaan. De verzekeringsarts heeft op basis van de bevindingen bij het onderzoek van appellant op 1 juli 2002, waarbij tevens van de huisarts verkregen inlichtingen waaronder gegevens van de behandelend cardioloog en oogarts zijn betrokken, vastgesteld dat de belastbaarheid van appellant is beperkt als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. De beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op grond van de bevindingen uit het medisch en arbeidskundig onderzoek achtte de arbeidsdeskundige appellant ongeschikt voor zijn eigen werk als chauffeur groepsvervoer. Met inachtneming van de medische beperkingen heeft de arbeidsdeskundige drie functies geselecteerd, waarmee appellant nog een zodanig inkomen kon verdienen dat sprake was van een verlies aan verdiencapaciteit van 35 tot 45%. Daarnaast zijn nog vier andere geschikte functies geselecteerd. Met betrekking tot de functies met restricties heeft de arbeidsdeskundige overleg gepleegd met de verzekeringsarts waarbij deze functies zijn geaccordeerd.

Bij besluit van 19 juli 2002 heeft het Uwv appellant met ingang van 29 juli 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dat besluit heeft de verzekeringsarts op 20 september 2002 de geschiktheid van de geduide functies nader toegelicht. De bezwaarverzekeringsarts was blijkens het rapport van

11 december 2002, ook na kennisneming van inlichtingen van de fysiotherapeut, huisarts, neuroloog en bedrijfsarts van appellant, van oordeel dat de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen voldoende rekening houden met de geobjectiveerde klachten van appellant. De bezwaren gaven de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding meer beperkingen aan te nemen.

Bij besluit op bezwaar van 12 december 2002 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

In het beroep tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat in de voorhanden medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat de functionele mogelijkheden van appellant op de datum in geding op onjuiste wijze zouden zijn vastgesteld. De rechtbank kent voor de beoordeling van het geschil doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat appellant geen concrete medische gegevens heeft overgelegd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellant heeft overschat dan wel niet alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn gezondheidstoestand in aanmerking heeft genomen. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat voldoende voor appellant geschikte functies zijn aangewezen en dat de indeling in de klasse 35 tot 45% op juiste wijze is berekend. Het beroep is ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de diverse medische beperkingen die hij ondervindt, met name door zijn hartproblemen, en dat in diverse functies zijn belastbaarheid wordt overschreden. Appellant heeft informatie van zijn behandelend cardioloog overgelegd en de Raad verzocht zonodig een onafhankelijke deskundige cardioloog in te schakelen.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in reactie daarop het standpunt gehandhaafd dat in voldoende mate rekening is gehouden met de medische beperkingen van appellant en dat de functies geen ontoelaatbare overschrijdingen te zien geven, behoudens een van de functies van inpakker. De overgelegde informatie van de cardioloog leidt naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts niet tot een andere visie op de belastbaarheid van appellant. Er is geen aanleiding om aanvullende beperkingen aan te nemen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft een van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies, namelijk die van inpakker, laten vervallen. De functies naaister confectie, meubel, dekkleden en productiemedewerker industrie blijven over. Bijduiding van een van de reservefuncties, samensteller kunststof, leidt niet tot indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse.

De Raad overweegt dat de verzekeringsartsen naast de bevindingen uit het eigen onderzoek inlichtingen van de behandelend artsen van appellant in hun beoordeling hebben betrokken. Zij hebben daarbij naar het oordeel van de Raad niet miskend dat de klachten van appellant reƫel zijn. Noch uit de overgelegde gegevens uit de behandelend sector noch anderszins blijkt echter dat de belastbaarheid van appellant is overschat. De Raad ziet dan ook geen grond te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Voor een onderzoek door een onafhankelijke deskundige ziet de Raad geen aanleiding. De belasting van de aan de schatting ten grondslag liggende functies acht de Raad, mede gelet op de daarop gegeven toelichting, aanvaardbaar. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd merkt de Raad nog op dat uit de beschrijving van de belasting in de geduide functies blijkt dat staan niet langer dan maximaal 4 minuten achtereen voorkomt, lopen niet langer dan maximaal 2 minuten achtereen en werken boven schouderhoogte niet langer dan 1 minuut achtereen.

De Raad concludeert dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.