Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW5368

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2006
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
05-1700 NABW, 05-1766 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschortingsbesluit. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Afwijzing nieuwe aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 176

Uitspraak

05/1700 NABW, 05/1766 NABW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 17 februari 2005, 03/5239 en 04/1027 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College).

Datum uitspraak: 11 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Toxopeus. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 10 mei 1998 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

In het kader van de begeleiding naar werk heeft het College appellant bij brieven van 25 maart 2003 en 9 april 2003 uitgenodigd voor een gesprek op 1 april respectievelijk 15 april 2003. Appellant heeft zonder enig bericht geen gevolg gegeven aan deze uitnodigingen.

Het College heeft naar aanleiding daarvan bij besluit van 16 april 2003, met toepassing van artikel 69, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, het recht op bijstand van appellant met ingang van 15 april 2003 opgeschort en appellant alsnog de gelegenheid gegeven op 23 april 2003 te verschijnen op het kantoor van de afdeling Sociale Zaken. Tevens is aangegeven

- onder verwijzing naar artikel 69, vierde lid, van de Abw, dat indien appellant het verzuim niet hersteld het recht op bijstand zal worden ingetrokken. Appellant is wederom zonder enig bericht niet verschenen.

Bij besluit van 3 juni 2003 heeft het College het recht op bijstand van appellant, onder verwijzing naar artikel 65, tweede lid, van de Abw, met ingang van de opschortingsdatum ingetrokken. Tevens heeft het College bij besluit van 19 juni 2003 de over de periode van 15 april 2003 tot en met 30 april 2003 gemaakt kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 752,69. Het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 november 2003 ongegrond verklaard (05/1700 NABW).

Op 15 juli 2003 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van 15 oktober 2003, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 januari 2004, heeft het College deze aanvraag afgewezen (05/1766 NABW).

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de ingestelde beroepen tegen de besluiten van 10 november 2003 en

29 januari 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

05/1700 NABW

De Raad stelt eerst vast dat tegen het met toepassing van artikel 69, eerste lid, van de Abw genomen opschortingsbesluit van 16 april 2003 geen rechtsmiddel is aangewend. Daardoor is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden. Uit de jurisprudentie van de Raad blijkt dat in het kader van de toetsing van een op grond van artikel 69, vierde lid, van de Abw genomen besluit tot intrekking van het recht op bijstand uitsluitend ter beoordeling staat of de betrokkene het in

artikel 69, eerste lid, van de Abw bedoelde verzuim heeft hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn alsmede of er dringende redenen aanwezig zijn om met toepassing van het vijfde lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk van de intrekking als bedoeld in het vierde lid af te zien.

Vaststaat dat appellant niet heeft gereageerd op de oproepen van het College van 25 maart 2003 en 9 april 2003. Ook van de daarna bij besluit van 16 april 2003 gegeven mogelijkheid het verzuim te herstellen door alsnog te verschijnen op 23 april 2003 heeft appellant geen gebruik gemaakt. Voorts is naar het oordeel van de Raad niet gebleken dat dit verzuim appellant niet valt aan te rekenen. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk kunnen maken dat hij - naar zijn zeggen als gevolg van ondere andere onaangekondigde huisbezoeken wegens problemen met het toilet en/of de riolering in de woning van zijn moeder - niet in staat was bij het College te verschijnen.

Aangezien de Raad in hetgeen is aangevoerd geen dringende redenen ziet als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, op grond waarvan het College de bevoegdheid toekomt geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien, kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat het College de uitkering van appellant terecht overeenkomstig het imperatieve voorschrift van artikel 69, vierde lid, van de Abw met ingang van 15 april 2003 heeft ingetrokken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat het College was gehouden tot terugvordering van de over de periode van 15 april 2003 tot en met 30 april 2003 gemaakte kosten van bijstand over te gaan. In hetgeen is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw.

05/1766 NABW

Uit de gedingstukken blijkt dat er een redelijke grond was om na het intakegesprek een huisbezoek op het woonadres van appellant af te leggen, omdat appellant onvoldoende duidelijkheid had verschaft over zijn woon- en leefsituatie. Appellant is tijdens bedoeld gesprek van het voornemen tot afleggen van een huisbezoek op de hoogte gesteld. Bij een weigering om het huisbezoek toe te staan, was het appellant duidelijk dat de thans aan de orde zijnde aanvraag om bijstand zou kunnen worden afgewezen.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hetgeen door appellant is aangevoerd onvoldoende rechtvaardiging vormt voor zijn weigering aan het huisbezoek mee te werken. De Raad onderschrijft de door de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne.

Gelet op het vorenstaande moet worden geconstateerd dat appellant niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw en dat als gevolg hiervan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, appellant verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw. Het College heeft de aanvraag van appellant om bijstand dan ook terecht afgewezen. In hetgeen overigens door appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

De aangevallen uitspraken komen derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestiging van de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) M. Pijper.