Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW5367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2006
Datum publicatie
02-05-2006
Zaaknummer
05/1649 AW, 05/2654 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen plaatsing in de uitloopschaal. Discretionaire bevoegdheid. Gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1649, 05/2654 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 februari 2005, SBR 2004/921 en SBR 2004/2158, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 24 maart 2005 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 maart 2006, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Vriezen, werkzaam bij Vijverberg Juristen BV te Leidschendam-Voorburg en J. Alblas, werkzaam bij de gemeente Maarssen. Gedaagde is in persoon verschenen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Gedaagde is sedert 1 januari 1987 in dienst van de gemeente Maarssen. Met ingang van 15 september 1996 is gedaagde benoemd in de functie van [naam functie]. Op 1 september 1998 bereikte gedaagde het maximum van haar functieschaal 12. Op 13 november 2000 is gedaagde arbeidsongeschikt geworden. Gedaagde heeft het werk niet meer kunnen hervatten en aan haar is per 1 januari 2004 eervol ontslag verleend.

1.2. Bij besluit van 22 juli 2002 heeft appellant een verzoek van gedaagde om haar met ingang van 1 september 2001 te plaatsen in de uitloopschaal 13 afgewezen.

1.3. Bij het bestreden besluit van 1 juli 2004 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 22 juli 2002 ongegrond verklaard.

1.4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voorzover thans van belang - het door gedaagde ingestelde beroep tegen de weigering haar in de uitloopschaal te plaatsen gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde weliswaar formeel niet voldoet aan de in de Doorloopregeling Salariƫring (hierna: Doorloopregeling) genoemde voorwaarden voor plaatsing in de uitloopschaal, maar dat appellant daarbij heeft voorbijgezien aan de in de regeling opgenomen hardheidsclausule. Aangezien het volgens de rechtbank niet aan gedaagde te wijten is dat de tweede beoordeling niet heeft plaatsgevonden, het functioneren van gedaagde op geen enkele wijze ter discussie stond en de derde beoordeling is uitgebleven in verband met ziekte van gedaagde, heeft de rechtbank appellant opgedragen alsnog te bezien of sprake is van bijzondere omstan-digheden op grond waarvan zou kunnen worden afgeweken van de in de Doorloopregeling neergelegde uitgangspunten. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat appellant in de gegeven omstandigheden niet had kunnen volstaan met het afwijzen van het beroep van gedaagde op het gelijkheidsbeginsel met de enkele stelling dat hem geen gelijke gevallen bekend zijn.

1.5. Bij besluit van 24 maart 2005 heeft appellant, onder voorbehoud van de uitkomst van het onderhavige hoger beroep, opnieuw op het bezwaarschrift beslist en dit wederom ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen dit besluit door gedaagde ingediende beroepschrift van 8 mei 2005 bij brief van 30 juni 2005 ter behandeling aan de Raad doorgezonden.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd stelt de Raad voorop dat het geschil in hoger beroep, gezien het beroepschrift van appellant, betrekking heeft op de weigering gedaagde met ingang van 1 september 2001 in de uitloopschaal te plaatsen. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of appellant in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om toepassing te geven aan de hardheidsclausule van artikel 5 van de Doorloopregeling. Voorts is in geschil of het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

2.1. Voorzover gedaagde in het kader van dit hoger beroep een veelheid van misstanden in het personeelsbeleid bij de gemeente Maarssen aan de orde heeft willen stellen, moet de Raad daaraan bij de beoordeling van het hoger beroep voorbijgaan, omdat de Raad daarmee buiten de grenzen van het geding zou treden.

3. Vaststaat dat gedaagde niet aan de vereisten van de Doorloopregeling voor plaatsing in de uitloopschaal kan voldoen. Nog daargelaten of de functie van gedaagde in het kader van een reorganisatie per 1 oktober 2000 formeel was opgeheven, hetgeen appellant heeft gesteld en door gedaagde is betwist, zeker is in ieder geval dat gedaagde vanaf 13 november 2000 niet meer heeft gewerkt, zodat van een volledige functievervulling na deze datum geen sprake is geweest.

3.1. De Raad is, anders dan de rechtbank, met appellant van oordeel dat appellant bij de beoordeling van gedaagdes verzoek om inpassing in de uitloopschaal wel de vraag betrokken heeft of er sprake was van bijzondere omstandigheden, die een uitzondering op de in de Doorloopregeling neergelegde vereisten zouden kunnen rechtvaardigen. Voordat appellant het besluit van 22 juli 2002 nam heeft op 3 juni 2002 een gesprek plaats-gevonden met de gemachtigde van gedaagde. Daarbij is een toelichting op het verzoek gegeven en, zo mag worden aangenomen, is de situatie van gedaagde door haar gemachtigde naar voren gebracht en besproken. In het besluit van 22 juli 2002 heeft appellant vervolgens gesteld van mening te zijn dat er ten aanzien van gedaagde geen sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat die een toekenning bij wijze van uitzondering zouden kunnen rechtvaardigen. Het hoger beroep van appellant slaagt op dit onderdeel.

3.2. Met betrekking tot de weigering van appellant om toepassing te geven aan de hardheidsclausule overweegt de Raad dat ook hij bijzondere omstandigheden die daar ten aanzien van gedaagde toe nopen, niet aanwezig acht. Dat gedaagde niet aan de voorwaarden van de Doorloopregeling heeft kunnen voldoen is veroorzaakt door haar ziekte, als gevolg waarvan zij bijna het gehele derde jaar van 1 september 2000 tot 1 september 2001 haar functie niet heeft kunnen vervullen. Zij kon op haar functioneren in die functie over dit derde jaar dus niet beoordeeld worden. Dat langdurige, hier zelfs definitieve uitval wegens ziekte nadelige gevolgen heeft in de rechtspositionele sfeer, is niet uitzonderlijk. Appellant heeft dan ook naar het oordeel van de Raad in redelijkheid kunnen besluiten van de hem ingevolge artikel 5 van de Doorloopregeling toekomende bevoegdheid geen gebruik te maken.

3.3. De Raad is voorts met appellant van oordeel dat de rechtbank ten onrechte aan appellant heeft opgedragen opnieuw te beslissen omtrent gedaagdes beroep op het gelijkheidsbeginsel. De Raad acht daarbij van belang dat gedaagde, daartoe herhaaldelijk en uitdrukkelijk uitgenodigd, heeft geweigerd concrete gevallen te noemen, waaruit zou kunnen blijken dat gedaagde door appellant terzake van de toepassing van artikel 5 van de Doorloopregeling ongelijk is behandeld met anderen. Door appellant is weliswaar erkend dat in incidentele gevallen wel is afgeweken van de in de Doorloopregeling opgenomen formele vereisten, doch in die gevallen berustte de toekenning van de uitloopschaal in ieder geval wel steeds op een beoordeling van het functioneren over een periode van tenminste drie jaar.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij aan appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen, niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd. Dit brengt tevens mee dat de grondslag aan het besluit van 24 maart 2005, dat op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geding wordt betrokken, komt te ontvallen, zodat dit besluit eveneens moet worden vernietigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 juli 2004 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 24 maart 2005.

Aldus gegeven door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter, en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.