Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW4592

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
27-04-2006
Zaaknummer
05/177 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juistheid opgemaakte beoordeling ambtenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/167

Uitspraak

05/177 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 december 2004, nr. 04/1343 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Algemeen Bestuurscollege van de Koninklijke Bibliotheek (hierna: Bestuurscollege)

Datum uitspraak: 13 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.W. Borgeld, verbonden aan de CMHF, hoger beroep ingesteld.

Namens het Bestuurscollege heeft mr. B. van Bon, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Borgeld. Het Bestuurscollege heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. van Bon en door R. Storm, werkzaam bij de Koninklijke Bibliotheek (K.B.).

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, sinds 1978 in dienst bij de K.B., is werkzaam als Vakreferent/ Weten-schappelijk medewerker collectievorming c.q. vakbeheer. Hij heeft een aanstelling van 20 uur per week en is 4 uur per week vrijgesteld voor werkzaamheden voor het Lokaal Overleg. Appellant verzorgt de opbouw en inhoudelijke ontsluiting van wetenschappelijke en andere relevante publicaties/collecties in gedrukte, elektronische of andere vormen, die betrekking hebben op de vakgebieden toonkunst en uitvoerende kunsten.

1.2. Over appellant is over het tijdvak november 1999 tot november 2001 een beoordeling opgemaakt. Bij besluit van 4 december 2003 is de beoordeling vastgesteld. Het door appellant tegen de beoordeling gemaakte bezwaar is door het Bestuurscollege bij bestreden besluit van 13 april 2004 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. Dat, zoals appellant betoogt, er gelet op het tijdsverloop en het feit dat appellants functie ten gevolge van een reorganisatie niet meer bestaat, geen belang meer is gediend met het vaststellen van de beoordeling, kan de Raad niet volgen. Het Bestuurscollege heeft, mede met het oog op de onderbouwing van rechtspositionele besluiten, in beginsel belang bij het opmaken en vaststellen van beoordelingen. Het enkele tijdsverloop, dat overigens grotendeels voor rekening van appellant komt, en het vervallen van de functie doen daaraan niet af.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de heroverweging in bezwaar een volledige is geweest. Weliswaar kan aan appellant worden toegegeven dat de Adviescommissie personeelsaangelegenheden KB de omvang van de toetsingsbevoegd-heid in bezwaar onjuist heeft gekarakteriseerd, maar gelet op hetgeen de commissie heeft onderzocht en de wijze waarop zij haar advies heeft gemotiveerd kan niet staande gehouden worden dat de commissie, en daarmee het Bestuurscollege, een beperktere toetsing heeft uitgevoerd dan waartoe zij was gehouden. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van een gebrekkig advies noch van een gebrekkig besluit op bezwaar.

3.3. De Raad is verder van oordeel dat het Bestuurscollege in redelijkheid heeft kunnen weigeren om appellants collega P. als informant aan te wijzen bij de beoordeling nu collega P. ontsluitingswerkzaamheden verricht op een ander onderwerp (romaanse taal- en letterkunde) dan waarop appellant die werkzaamheden verricht en niet aannemelijk is gemaakt dat hij op bepaalde aspecten van de functievervulling door appellant een beter zicht zou hebben dan de beoordelaar, die eveneens werkzaamheden verricht met betrekking tot onderwerpsontsluiting. Hierbij heeft het Bestuurscollege terecht ook in aanmerking genomen dat de werkzaamheden van appellant voor het Lokaal Overleg, welke ook door collega P. worden uitgevoerd, geen onderdeel zijn van de functievervulling en niet in de beoordeling worden betrokken.

3.4. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van een beoordeling overweegt de Raad dat die volgens zijn vaste jurisprudentie (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954, TAR 1998, 191) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen het betrokken bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. Indien het om een onvoldoende beoordeling gaat van het kwantitatief functioneren, kan het onder omstandigheden op de weg van de beoordeelde liggen om, als hij de meest gerede partij is, met feiten te staven dat hij kwantitatief wel voldoende heeft gefunctioneerd.

3.5. In geschil is de beoordeling op het aspect kwantiteit, dat ziet op de geleverde produktie. Bij de beoordeling van de functiebestanddelen is vastgelegd: “Het aangeleverde aantal DutchESS-bronnen in de desbetreffende periode bedroeg 12 (lees: 14), wat veel te weinig genoemd moet worden” en: “De verwerkingssnelheid van de boeken bij de afd. Onderwerpsontsluiting is te gering”. Bij de beoordeling van het algemene gezichtspunt eigen werk organiseren is opgenomen: “Selectie van DutchESSbronnen blijft ver achter. In de prioriteitstelling is steevast de onderwerpsontsluiting sluitpost”. Bij de beoordeling van de functievervulling in haar geheel is de kwantiteit met een B (voldeed op een of meer aspecten niet geheel aan de gestelde functie-eisen) beoordeeld met de aantekening: “door andere prioritering hadden meer DutchESS bronnen aangeleverd kunnen worden en was - vooral - de verwerking van de werkvoorraad bij de onderwerpsontsluiting adequaat geweest”.

3.5.1. Met het aantal aangeleverde DutchESS-bronnen wordt gedoeld op het aantal internetbronnen dat appellant heeft ontsloten. Het Bestuurscollege heeft gesteld dat er in de beoordelingsperiode voor appellant een norm van 44 te ontsluiten internetbronnen gold en dat hij ook bij herhaalde raadpleging van het DutchESS-systeem slechts 14 ontsloten internetbronnen heeft geteld. Appellant heeft een lijst overgelegd waaruit blijkt dat hij in ieder geval 20 internetbronnen heeft ontsloten en hij heeft daarbij aangegeven dat het er nog meer zijn geweest. Het Bestuurscollege heeft vervolgens gesteld dat appellant ook met een aantal van 20 ontsloten bronnen niet heeft voldaan aan de gestelde norm. Het Bestuurscollege heeft echter ook ter zitting niet kunnen verklaren waarom een aantal door appellant ontsloten bronnen bij raadpleging van het systeem niet wordt geteld. Voor de Raad valt derhalve niet uit te sluiten dat het telsysteem van het Bestuurscollege niet sluitend is. Voorts heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat appellant degene was van wie hier mocht worden verwacht dat hij aantoonde dat er voldoende bronnen waren ontsloten. De Raad komt derhalve op dit onderdeel tot de conclusie dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust.

3.5.2. Met appellant is de Raad voorts van oordeel dat van de zijde van het Bestuurscollege onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat appellant, gelet op de ontstane werkvoorraad van 300 publicaties, niet heeft voldaan aan de norm van 2,5 te ontsluiten publicaties per uur. Het Bestuurscollege gaat ervan uit dat appellant bij besteding van 4 uur per week, 40 weken per jaar en een verwerking van 2,5 publicaties per uur, de aanwassende stroom van gemiddeld 345 publicaties per jaar kan bijhouden en er geen werkvoorraad ontstaat. De Raad stelt allereerst vast dat de gegevens van de aan appellant aangeleverde publicaties die tot zijn vakgebieden behoren niet compleet zijn, zodat niet is vast te stellen of het aangeleverde aantal daadwerkelijk op 345 per jaar ligt. Voorts ontbreken de gegevens van het aantal aangeleverde publicaties over het jaar 2001 en is onduidelijk gebleven of en in hoeverre een achterstand die is ontstaan in de jaren voorafgaand aan de beoordeling, onderdeel is gaan uitmaken van de in de beoordelingsperiode aanwezige werkvoorraad. Evenmin bevinden zich onder de gedingstukken gegevens over het aantal door appellant ontsloten publicaties in de beoordelingsperiode. Gelet op dit gebrek aan gegevens heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat appellant niet aan de gestelde norm heeft voldaan, hetgeen evenzeer voor risico van het Bestuurscollege moet worden gebracht. Dat de achterstanden al eerder expliciet onderwerp van gesprek zijn geweest doet hier niet aan af. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de beoordeling op dit onderdeel op onvoldoende gronden berust.

3.5.3. Gezien het vorenoverwogene komt de Raad tot de conclusie dat de toekenning van een B voor kwantiteit niet op voldoende gronden berust.

4. Het bestreden besluit kan derhalve in rechte geen stand houden en komt voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Het Bestuurscollege zal een nieuwe beslissing moeten nemen op appellants bezwaar met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het Bestuurscollege op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 3,36 aan reiskosten en van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en in hoger beroep tot een bedrag van € 3,36 aan reiskosten en van

€ 644,- aan kosten van rechtsbijstand, in totaal € 1.294,72.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 april 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Bestuurscollege een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt het Bestuurscollege in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.294,72, te betalen door de Koninklijke Bibliotheek;

Bepaalt dat de Koninklijke Bibliotheek aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 341,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

09.04