Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW4578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
05/207 AW + 05/275 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk ontslag met onmiddellijke ingang wegens ernstig plichtsverzuim. Tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/132

Uitspraak

05/207 AW + 05/275 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 november 2004, nrs. 04/624 en 04/625 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 13 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.J.Th.B. Gerlag, advocaat te Kerkrade, een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 10 maart 2005, nrs. 05/234 AW-VV en 05/235 AW-VV, heeft de voorzieningenrechter van de Raad de werking van de aangevallen uitspraak geschorst.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.A. Martens, werkzaam bij de gemeente Kerkrade. Betrokkene is verschenen, met bijstand van mr. Gerlag, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was laatstelijk werkzaam als secretarieel medewerker bij de afdeling [afdeling] van de gemeente Kerkrade.

1.2. Naar aanleiding van een door appellant ontvangen politierapport van 6 juli 2003 inzake overlast veroorzaakt door betrokkene dan wel personen die in haar woning verblijven dan wel deze bezoeken, heeft appellant betrokkene met deze informatie geconfronteerd in een gesprek op 10 juli 2003. Uit het van dit gesprek opgemaakt verslag blijkt dat betrokkene aan appellant heeft medegedeeld dat zij op de hoogte was van het feit dat in haar woning in verdovende middelen werd gehandeld en voorts dat zij op 14 mei 2003 was betrapt op winkeldiefstal. Op 17 juli 2003 heeft appellant aan betrokkene het voornemen tot disciplinaire bestraffing wegens zeer ernstig plichtsverzuim medegedeeld en haar uitgenodigd hieromtrent verantwoording af te leggen. Bij brief van 21 juli 2003 heeft betrokkene aan appellant medegedeeld dat zij de haar verweten gedragingen niet ontkent, dat zij niets heeft toe te voegen aan hetgeen zij in het gesprek op 10 juli 2003 naar voren heeft gebracht en om die reden afziet van de mogelijkheid zich te verantwoorden.

Met betrekking tot de op 14 mei 2003 gepleegde diefstal is betrokkene akkoord gegaan met een aangeboden transactie.

1.3. Bij besluit van 24 juli 2003 heeft appellant betrokkkene wegens zeer ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het gelegenheid bieden aan andere personen strafbare feiten te plegen vanuit en rondom haar woning en het plegen van een winkeldiefstal, de discipliniare straf van ontslag opgelegd onder de bepaling dat dit ontslag niet ten uitvoer zal worden gelegd indien betrokkene zich gedurende een periode van twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander plichtsverzuim. Na bezwaar is dit voorwaardelijk strafontslag, onder aanvulling van de motivering, bij het bestreden besluit van 16 maart 2004 gehandhaafd.

1.4. Bij besluit van 27 oktober 2003 is appellant overgegaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag met onmiddellijke ingang wegens ernstig plichtsverzuim, bestaand uit het plegen van een door betrokkene erkende winkeldiefstal op 9 augustus 2003. Daarbij heeft appellant in aanmerking genomen dat betrokkene op het moment dat zij betrapt werd gezien is door burgers die er van op de hoogte waren dat betrokkene werkzaam is als ambtenaar bij de gemeente. Hierdoor is het aanzien van de gemeente als overheidsorgaan geschaad en het vertrouwen van appellant in betrokkene komen te ontvallen. Bij het bestreden besluit van eveneens 16 maart 2004 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 27 oktober 2003 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van betrokkene tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen inzake het voorwaardelijk strafontslag. Voorts heeft de rechtbank aan het besluit van 27 oktober 2003 de rechtskracht ontnomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene zich met het plegen van winkeldiefstal schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim. Met betrekking tot het gelegenheid bieden tot het plegen van strafbare feiten heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake was van toerekenbaar plichtsverzuim. Zij heeft daartoe, voorzover van belang, overwogen dat betrokkene vóór 25 juni 2003, de eerste maal dat de woning-bouwvereniging haar op de hoogte heeft gesteld van de klachten rond haar woning, geen weet had van de criminele activiteiten in haar woning. Toen appellant op 10 juli 2003 betrokkene voor het eerst aansprak op de drugsoverlast rond haar woning was de bewoning door de overlast gevende personen reeds zes dagen beëindigd. Gelet op het feit dat appellant bij het bepalen van de hoogte van de straf de nadruk heeft gelegd op het gedeelte van hetgeen betrokkene wordt verweten met betrekking waartoe de rechtbank oordeelde dat van toerekenbaar plichtsverzuim geen sprake is, heeft de rechtbank de straf van voorwaardelijk ontslag onevenredig aan het plichtsverzuim geacht.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

Het voorwaardelijk strafontslag

3.1. De Raad stelt voorop dat niet in geschil is dat betrokkene met het plegen van winkeldiefstal op 14 mei 2003 zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat dit plichtsverzuim betrokkene valt toe te rekenen.

3.2. Vast staat dat betrokkene haar ex-echtgenoot, van wie zij wist dat hij voorheen harddrugs gebruikte, vanaf augustus 2002 verblijf in haar woning heeft verschaft. Verder heeft betrokkene toegestaan dat haar ex-echtgenoot in april 2003 aan twee hem bekende, maar voor betrokkene volstrekt onbekende personen, bij haar onderdak heeft verleend. Uit het politierapport is gebleken dat de politie in de periode mei 2002 tot en met juli 2003 verscheidene meldingen heeft ontvangen van ernstige overlast veroorzaakt vanuit de woning van betrokkene, betrekking hebbend op handel en gebruik in verdovende middelen, diefstal van fietsen, vernielingen en geluidsoverlast. Betrokkene stelt dat zij niet op de hoogte is geweest van de klachten rond haar woning omdat zij op haar werk was en zij regelmatig bij haar moeder verbleef. Betrokkene stelt voorts dat zij eerst op 25 juni 2003 door de Woningbouwvereniging op de hoogte is gesteld van de klachten omtrent overlast.

3.3. De Raad merkt allereerst op dat betrokkene met het toelaten in haar woning van voor haar volstrekt onbekende relaties van haar ex-echtgenoot het risico heeft aanvaard dat er vanuit haar woning strafbare feiten werden gepleegd met de daaruit voortvloeiende overlast. Voorts komt het de Raad gelet op de duur en aard van de overlast weinig geloofwaardig voor dat betrokkene niet vóór 25 juni 2003 ervan op de hoogte was dat er in haar woning strafbare feiten werden gepleegd. Ook indien aangenomen zou worden dat betrokkene hiermee niet vóór 25 juni 2003 bekend werd, valt het betrokkene te verwijten dat zij niet direct na bekendmaking daarvan op 25 juni 2003 er zorg voor heeft gedragen deze personen onmiddellijk uit haar woning te verwijderen, zonodig door daarbij de hulp van appellant of de politie in te roepen. Enkel door het feit dat de bij betrokkene inwonende dan wel verblijvende personen op 4 juli 2003 op heterdaad zijn betrapt wegens handel en gebruik van harddrugs en vervolgens door de politie zijn aangehouden, is er een einde gekomen aan de criminele activiteiten en de daarmee gepaard gaande overlast. Betrokkene heeft derhalve nagelaten tijdig een einde te maken aan de onrechtmatige situatie en heeft ook na 25 juni 2003 toegelaten dat er vanuit haar woning ernstige strafbare feiten konden worden gepleegd.

3.4. De Raad deelt niet de opvatting van betrokkene dat de in geding zijnde gedragingen uitsluitend de privé-sfeer raken. Ook het plegen van een diefstal buiten werktijd en het toelaten dat er ernstige strafbare feiten vanuit zijn of haar woning worden gepleegd, kan onder omstandigheden strijdig zijn met hetgeen een goed ambtenaar in gelijke omstandig-heden behoort na te laten of te doen en aldus plichtsverzuim opleveren.

3.5. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat ook in dit opzicht sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim. Appellant was derhalve bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

3.6. De Raad is van oordeel dat de aard en ernst van de verweten gedragingen zodanig zijn dat de opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. Met appellant is de Raad van oordeel dat betrokkene door haar handelwijze er blijk van heeft gegeven zich onvoldoende bewust te zijn van de grenzen die uit de aard van haar functie van secretarieel medewerker bij de afdeling [afdeling] voortvloeien. Om redenen van algemeen belang moet immers grote betekenis worden gehecht aan de betrouwbaarheid en onkreukbaarheid van een ambtenaar, die fungeert als tussenschakel tussen de overheid en de burger.

Het ten uitvoerleggen van het voorwaardelijk strafontslag

3.7. Gelet op het voorgaande dient de Raad voorts te beoordelen of appellants besluit om uitvoering te geven aan het eerder genomen ontslagbesluit de toetsing van de Raad kan doorstaan. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 16 januari 1997, LJN ZB6622, TAR 1997, 41) merkt de Raad daarbij op dat naast de beoordeling of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt geen plaats is voor een onevenredigheidstoetsing.

3.8. Betrokkene heeft zich door het plegen van de door haar erkende diefstal op 9 augustus 2003 schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, zodat appellant, gelet op het feit dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan voor de tenuitvoerlegging van het besluit van 24 juli 2003 relevant plichtsverzuim, bevoegd was tot deze tenuitvoerlegging. Dat het besluit waarbij het voorwaardelijk strafontslag was opgelegd nog niet in rechte onaantastbaar was geworden maakt dat niet anders. Ten aanzien van het betoog van betrokkene dat zij vanwege honger en geldgebrek genoodzaakt was te stelen, overweegt de Raad dat het op de weg van betrokkene had gelegen om een zodanig bestedingspatroon te creëren dat zij met haar inkomen kon rondkomen en dat zij tevens hulp had kunnen zoeken bij een derde. Dit argument kan dan ook niet afdoen aan de verwijtbaarheid van de thans in geding zijnde gedraging en de Raad acht hierin geen grond gelegen voor de conclusie dat appellant in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en de door betrokkene bij de rechtbank ingestelde beroepen moeten ongegrond worden verklaard.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 16 maart 2004 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en W. van den Brink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.W. Loots.