Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW3677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
03/1048 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAZ-uitkering. Belastbaarheid. Geschiktheid voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/1048 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 januari 2003, 02/1615 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 14 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. G.B.M. Zuidgeest, advocaat te Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 27 mei 2005 (met bijlagen) heeft het Uwv antwoord gegeven op de door de Raad bij brief van 13 april 2005 gestelde vragen.

Nadien heeft mr. Zuidgeest, voornoemd, bij schrijven van 5 augustus 2005 een rapport, gedateerd 3 september 2003, opgesteld door de verzekeringsarts J.M.W.N. Derks, verbonden aan Veduma medisch adviseurs te Zaltbommel, toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2005. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zuidgeest. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. G. Koopman.

De Raad heeft het onderzoek heropend en dr. F.P. Bernoski, orthopedisch chirurg, als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek.

De deskundige heeft op 14 december 2005 rapport uitgebracht.

Het voortgezette onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting op 3 maart 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Zuidgeest. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. van der Bent.

II. OVERWEGINGEN

De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.

In dit geding is aan de orde of het Uwv bij besluit van 19 maart 2002 (hierna: bestreden besluit) terecht het besluit van

22 januari 2001 heeft gehandhaafd waarbij is geweigerd appellant na het vervullen van de wachttijd met ingang van 5 juli 1999 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

Gelet op de nadere standpuntbepaling van het Uwv in hoger beroep, zoals neergelegd in de brief van 27 mei 2005 (met bijlagen), ligt aan het bestreden besluit het standpunt ten grondslag dat appellant met inachtneming van de voor hem geldende beperkingen in staat is te achten tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de functies samensteller (fb-code 8463), wikkelaar (fb-code 8535) en meubelspuiter (fb-code 8112). Vergelijking van het zogeheten maatmaninkomen met het te verdienen loon uit de hiervoor genoemde functies levert een mate van arbeidsongeschiktheid op van minder dan 25%.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel te kennen gegeven dat en op welke gronden het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Appellant heeft in hoger beroep de medische grondslag van het bestreden besluit aangevochten. Ter onderbouwing hiervan is een rapport van de verzekeringsarts Derks, voornoemd, van 3 september 2003 ingebracht en is verwezen naar de reeds in bezwaar ingebrachte brieven van de huisarts en de behandelend fysiotherapeut. Verder is ter zitting van de Raad op

26 augustus 2005 van de zijde van appellant gesteld dat de functie meubelspuiter in hoger beroep niet opnieuw als grondslag voor de schatting kan worden geselecteerd nu deze functie na aanvankelijk in de primaire fase door de arbeidsdeskundige te zijn geselecteerd in het nadere overleg tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige om medische redenen is afgevallen en appellant hiervan bij brief van 21 december 2000 op de hoogte is gebracht.

De Raad komt eerst toe aan de laatste grief. Dienaangaande is de Raad van oordeel dat aangezien het hier een beslissing betreft over aanspraken van appellant bij einde wachttijd, in welke situatie naar vaste jurisprudentie van de Raad bijduiding op ieder moment in de procedure is toegestaan, het in hoger beroep alsnog selecteren van de functie meubelspuiter ter onderbouwing van de grondslag van het einde-wachttijd-besluit op zich is toegestaan. Wel dient duidelijk komen vast te staan dat deze functie, anders dan door het Uwv aanvankelijk was aangenomen, voor appellant vanuit medisch oogpunt geschikt is te achten.

In hetgeen appellant in hoger beroep ter bestrijding van de medische grondslag heeft aangevoerd heeft de Raad ter beantwoording van de vraag of op de datum in geding (5 juli 1999) appellants medische beperkingen juist zijn vastgesteld en de vraag of appellant medisch gezien in staat moet worden geacht tot het verrichten van de werk-zaamheden verbonden aan de aan de schatting ten grondslag liggende functies samensteller, wikkelaar en meubelspuiter, aanleiding gezien de orthopedisch chirurg dr. F.P. Bernoski als deskundige te raadplegen.

Deze deskundige heeft appellant onderzocht en heeft in zijn rapport van 14 december 2005 te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant, als weergegeven in de verwoording belastbaarheid belanghebbende van 24 november 2000 en het formulier functie informatie systeem ag/ad van 24 juli 2000. De deskundige heeft voorts als zijn oordeel te kennen gegeven dat appellant op 5 juli 1999 vanuit medisch oogpunt bezien in staat is te achten tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de functies samensteller, wikkelaar en meubelspuiter.

De Raad overweegt dat in zijn jurisprudentie besloten ligt dat hij het oordeel van een door de bestuursrechter, in dit geval hemzelf, ingeschakelde onafhankelijk medisch deskun-dige volgt, tenzij er sprake is van omstandigheden die aanleiding geven tot het maken van een uitzondering op deze regel. Zodanige omstandigheden doen zich hier naar het oordeel van de Raad niet voor.

De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de deskundige zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek -lichamelijk onderzoek en röntgenonderzoek- van appellant. Voorts zijn de in het dossier aanwezige op appellant betrekking hebbende stukken, waaronder gegevens van de behandelend orthopedisch chirurg F.C.E.M. Wijffels, het schrijven van de huisarts C.H.J. Stoffer van 15 augustus 2001, het schrijven van de fysiotherapeut E.H.I. Stoutjesdijk van 23 augustus 2001 alsmede het rapport van de verzekeringsarts Derks van Veduma medisch adviseurs van 3 september 2003, door de deskundige in de oordeelsvorming betrokken en in die gegevens heeft hij geen aanknopingspunten gezien voor een andersluidend oordeel met betrekking tot de belastbaarheid van appellant op de hier in geding zijnde datum. De Raad is van oordeel dat het rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies van de deskundige naar behoren medisch zijn onderbouwd. Appellant heeft tegen het oordeel van de deskundige geen nieuwe medische gegevens ingebracht.

Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J.W. Schuttel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.