Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW3644

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
04/6327 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang herplaatsingsverplichting o.g.v. het BZA beperkt tot de onderwijsinstellingen van het bevoegd gezag. De wijziging van artikel 11 BZA maakt dit in dit specifieke (overgangs)geval niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/133

Uitspraak

04/6327 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 12 oktober 2004, nr. 04/248 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaksbergen, thans: de Bestuurscommissie basisonderwijs gemeente Haaksbergen (hierna: Bestuurscommissie)

Datum uitspraak: 20 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.E.R.M. Lathouwers, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

De bestuurscommissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lathouwers. De Bestuurscommissie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.G.A. Kellenaar, werkzaam bij VOS/ABB, en door

A.M.J. Somhorst-Kuipers, werkzaam bij de gemeente Haaksbergen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Bestuurscommissie is, waar het betreft het bevoegd gezag van de openbare basisscholen in de gemeente Haaksbergen, per 1 januari 2005 in de plaats getreden van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaksbergen. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over de Bestuurscommissie, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) dit College verstaan.

2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant, geboren in 1948, was sedert 1972 werkzaam als groepsleerkracht bij de gemeente Haaksbergen, laatstelijk aan de openbare basisschool [naam basisschool]. Nadat hij reeds eerder gezondheidsproblemen had ondervonden, is hij op 12 november 2000 met psychische klachten uitgevallen. Later heeft hij nog op arbeidstherapeutische basis niet-klassikale onderwijswerkzaamheden verricht. Bij brief van 18 juni 2002 heeft de Bestuurscommissie appellant in kennis gesteld van haar voornemen hem per 1 december 2002 wegens arbeidsongeschiktheid te ontslaan. Van februari 2003 tot

1 juni 2003 kon appellant nog worden geplaatst op een tijdelijke functie bij de gemeentelijke afdeling Facilitaire Dienstverlening. Met het oog daarop is de ontslagdatum opgeschoven.

2.2. Bij besluit van 20 mei 2003, bekend gemaakt bij brief van 28 mei 2003 en na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 12 februari 2004, is aan appellant per 1 juni 2003 eervol ontslag verleend wegens blijvende arbeidsongeschiktheid ten aanzien van zijn functie als groepsleerkracht.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 20, tweede lid, van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BZA), zoals dit ten tijde hier van belang luidde, kan de betrokkene - kort gezegd en voorzover hier van belang - wegens blijvende arbeidsongeschiktheid op grond van ziekten of gebreken worden ontslagen, mits (a) deze blijvende ongeschiktheid onafgebroken 2 jaar heeft geduurd en (c) er bij het bevoegd gezag voor betrokkene geen reële herplaatsingsmogelijkheden zijn.

3.2. In geschil is uitsluitend of de Bestuurscommissie voldoende inspanningen heeft verricht om appellant te herplaatsen.

3.3. Volgens vaste jurisprudentie is het bij de invoering van het BZA kennelijk de bedoeling geweest om de in artikel 20, tweede lid, onder c, bedoelde onderzoeks- en herbenoemingsverplichting niet verder te laten strekken dan tot functies aan onderwijsinstellingen van het bevoegde gezag van de betreffende medewerker (CRvB 19 juli 2001, LJN AB3124, TAR 2001, 152, alsmede CRvB 13 mei 2004, LJN AO9655). In hetgeen door appellant naar voren is gebracht, ziet de Raad geen grond om hierover thans anders te oordelen.

3.4. Aan de aldus omschreven verplichting is in het geval van appellant voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant blijvend buiten staat is om in klassikaal verband lesgevende werkzaamheden te verrichten. Een functie als groepsleerkracht is daarmee uitgesloten. Uit de stukken, waaronder de rapportage van Loyalis van 24 april 2002 en het advies van de bedrijfsarts van 19 september 2002, blijkt van gerede twijfel over de arbeidsgeschiktheid van appellant voor andere onderwijstaken, zoals remedial teaching, ICT- en bibliotheekwerkzaamheden. Doch ook indien van de geschiktheid van appellant voor die andere taken wordt uitgegaan, acht de Raad voldoende aangetoond dat een functie op dat terrein bij de Bestuurscommissie niet beschikbaar was. Evenmin kon redelijkerwijs worden gevergd de betrekkelijk kleine onderwijsorganisatie zodanig aan te passen dat zo'n functie - met een voldoende taakomvang - alsnog ter beschikking kwam. Blijkens het verhandelde ter zitting waren er in de gemeente Haaksbergen vier openbare scholen met in totaal slechts ongeveer 300 leerlingen. De bedoelde taken waren reeds verdeeld over de groepsleerkrachten. Niet ten onrechte stelt de Bestuurscommissie zich op het standpunt dat het onwenselijk is die taken daar weg te halen en bij één persoon te concentreren, omdat dit zou leiden tot een verschraling van de functie van groepsleerkracht en ten koste zou gaan van de flexibiliteit. Anders dan appellant meent, ziet de in het personeelsbeleidsplan voor het openbaar basisonderwijs bepleite taakdifferentiatie niet op een bundeling van neventaken tot één afzonderlijke functie, maar juist op spreiding ervan over de groepsleerkrachten, teneinde hun werkzaamheden afwisselender en aantrekkelijker te maken.

3.5. Appellant heeft aangevoerd dat zich sedert de invoering van het BZA ontwikkelingen hebben voorgedaan in de maatschappelijke opvattingen en in de regelgeving, op grond waarvan de onder 3.3. vermelde jurisprudentie thans is achterhaald en herplaatsingsinspanningen niet langer tot het onderwijs beperkt mogen blijven. Zijns inziens was de Bestuurscommissie ten tijde hier in geding verplicht om ook elders binnen en buiten het gemeentelijk apparaat naar vervangend werk te zoeken. In dit verband heeft appellant gewezen op de Wet verbetering poortwachter (Stb. 2001, 628) en op de met die wet samenhangende artikelen 11 en 11a van het BZA, zoals deze per 16 mei 2003 zijn komen te luiden

(Stb. 2003, 186). In de nieuwe tekst van artikel 11 is bepaald dat, indien bij het bevoegd gezag geen andere passende arbeid voorhanden is, het bevoegd gezag de inschakeling van de betrokkene in voor hem passende arbeid bij een andere werkgever bevordert (de zogenoemde "tweede weg").

3.6. Dit betoog van appellant kan niet leiden tot het door hem beoogde gevolg. Daarbij acht de Raad van betekenis dat de Bestuurscommissie in het belang van appellant heeft ingestemd met het opschuiven van de oorspronkelijk - in overeenstemming met artikel 20, tweede lid, onder a, van het BZA - vastgestelde ontslagdatum van 1 december 2002 naar

1 juni 2003, opdat appellant in de daartussen gelegen periode nog extra werkervaring zou kunnen opdoen bij de afdeling Facilitaire Dienstverlening van de gemeente Haaksbergen. De wijziging van artikel 11 van het BZA is pas tegen het einde van deze onverplichte verlenging van het dienstverband van kracht geworden: slechts vier dagen vóór het nemen van het ontslagbesluit en zestien dagen vóór het ingaan van het ontslag. In deze specifieke situatie kan redelijkerwijs niet aan de Bestuurscommissie worden tegengeworpen dat de gedurende meer dan twee jaar op grond van de oude tekst van

rtikel 11 verrichte inspanningen tot reïntegratie niet voldeden aan de op de valreep nog van kracht geworden nieuwe vereisten.

3.7. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij van het werk ziek is geworden en dat de Bestuurscommissie in deze bijzondere omstandigheid aanleiding had moeten vinden om ook buiten het onderwijs en buiten de gemeentelijke organisatie naar werk voor hem te zoeken. De Raad stelt echter vast dat niet is gebleken van een oorzakelijk verband tussen de uitoefening van de functie van groepsleerkracht door appellant en de psychische klachten die tot de arbeidsongeschiktheid hebben geleid. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat sprake is geweest van in het werk of in de werkomstandigheden gelegen factoren die

- objectief bezien - als buitensporig kunnen worden gekenschetst. Veeleer zijn er aanwijzingen dat factoren van persoonlijke aard, al dan niet in combinatie met de algemene ontwikkelingen in het onderwijs, tot gevolg hebben gehad dat appellant niet langer tegen zijn werk was opgewassen. Dit brengt met zich dat rechtens van de Bestuurscommissie niet meer inspanningen tot herplaatsing konden worden gevergd dan zijn gedaan.

3.8. Het hoger beroep treft geen doel en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en D.A.C. Slump als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 april 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.P. Grauss.

Q.