Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW3528

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
03/6404 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep tegen de herziening van de WAO-uitkering dient alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 220

Uitspraak

03/6404 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2003, 01/3213 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 21 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.R.C. Roele, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Bij primair besluit van 29 februari 2000 is de aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekende uitkering per 1 november 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

Bij besluit van 20 juli 2001 is appellants bezwaar tegen het primaire besluit in zoverre gegrond verklaard dat de datum per welke de aan hem toegekende WAO-uitkering is herzien en nader vastgesteld, is gesteld op 2 april 2000.

Bij uitspraak van 18 oktober 2001 heeft de rechtbank Amsterdam appellants beroep tegen evenvermeld besluit op bezwaar (bestreden besluit) wegens onverschoonbare termijnoverschrijding met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten zitting (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, aangezien het bestreden besluit aan appellant is verzonden op 20 juli 2001 en derhalve de beroepstermijn liep tot en met 3 september 2001, het op 4 september 2001 bij de rechtbank ingekomen en van

4 september 2001 daterende beroepschrift niet is ingediend binnen de ingevolge artikel 6:7 van de Awb 6 weken bedragende en ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op 21 juli 2001 aangevangen termijn, terwijl haar van omstandigheden op grond waarvan de overschrijding van die termijn verschoonbaar kan worden geacht niet is gebleken.

Tegen die uitspraak is appellant in verzet gekomen, stellende dat het beroepschrift wèl tijdig is ingediend, aangezien het niet per aangetekende post verzonden bestreden besluit eerst op 24 juli 2001 is ontvangen en het aan het Uwv is om aan te tonen dat dat besluit daadwerkelijk op 20 juli 2001 is verzonden.

Bij ongedateerde, bij brief van 8 oktober 2002 aan partijen verzonden uitspraak heeft de rechtbank Amsterdam appellants verzet gegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit niet aangetekend is verzonden, dat er geen postregistratie van de verzending van dat besluit heeft plaatsgevonden en dat het Uwv ook niet op andere wijze heeft kunnen aantonen dat dat besluit op 20 juli 2001 is verzonden, zodat wat de aanvang van de beroepstermijn betreft dient te worden uitgegaan van de door appellant op 24 juli 2001 gestelde datum van ontvangst en het beroep - gegeven het op 4 september 2001 bij de rechtbank ingekomen beroepschrift - tijdig is ingesteld.

Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, van oordeel dat terecht de WAO-uitkering aan appellant is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%, appellants beroep ongegrond verklaard.

Ter zitting op 10 maart 2006 heeft de Raad - zoals daags tevoren telefonisch aan partijen aangekondigd - ambtshalve aan de orde gesteld de vraag of appellant bij de aangevallen uitspraak terecht en op goede gronden ontvankelijk is geacht.

De Raad beantwoordt die vraag ontkennend, daartoe onder verwijzing naar zijn uitspraken van 17 juli 1998 (LJN: ZB7741), 30 september 2003 (LJN: AM 0355), 7 juni 2005 (LJN: AT7061) en 30 september 2005 (LJN:AU3982) het volgende overwegend.

Het bestreden besluit is gedateerd (vrijdag) 20 juli 2001. Ter zitting is namens het Uwv desgevraagd toegelicht dat in die periode besluiten als dit werden gedateerd op de dag waarop de verzending ervan daadwerkelijk plaatsvond, zodat niet ook op dat besluit apart de datum van verzending met behulp van een datumstempel behoefde te worden vermeld.

Indien ervan wordt uitgegaan dat door appellant het origineel van dat besluit en/of door mr. Stoppelenburg als zijn advocaat een afschrift van dat besluit niet eerder dan op (dinsdag) 24 juli 2001 is ontvangen, zoals door mr. Stoppelenburg niet onderbouwd en/doch onweersproken is gesteld, dan moet het bestreden besluit - gegeven dat dat wel per post, maar niet per aangetekende post is verzonden - zo niet op vrijdag 20 juli 2001 dan toch zeker op maandag 23 juli 2001 per post zijn verzonden.

In zijn hiervoor aangehaalde uitspraak van 30 september 2003 heeft de Raad overwogen dat ingeval van toezending van een besluit voor de vaststelling dat aan de (in de artikelen 6:7, 6:8, eerste lid, en 3:41, eerste lid, van de Awb genoemde) wettelijke voorwaarden voor het aanvangen van de (bezwaar- of) beroepstermijn is voldaan, zowel de verzending als de aanbieding van de zending (aan het juiste adres) dient vast te staan dan wel voldoende aannemelijk dient te zijn gemaakt. Daarbij geldt dat niet is uitgesloten dat ook langs andere weg dan aangetekende verzending per TPG Post kan worden aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat aan deze vereisten is voldaan.

In de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 6:8 van de Awb (PG Awb I, blz. 294) is vermeld dat, indien de bekendmaking geschiedt door toezending, de dag na die van de verzending de eerste dag van de (bezwaar-) of beroepstermijn is. De MvT bevat geen aanknopingspunt voor de - namens appellant betrokken - stelling dat de dag van ontvangst (mede) bepalend is voor de aanvang van de termijn. Het tegendeel is het geval. In de MvT is immers aangegeven dat de eerste dag van de termijn ”doorgaans” ook de dag zal zijn waarop de geadresseerde het besluit ontvangt. Daaruit blijkt dat een eventuele latere ontvangst niet van invloed is op de dag waarop de termijn aanvangt.

Uit de hiervoor genoemde uitspraken van 7 juni 2005 en ook 30 september 2005 blijkt dat de door appellant en de rechtbank aan het bewijs van de datum van verzending gestelde eisen te hoog zijn.

Mede gelet op de evengenoemde uitspraken ziet de Raad in de voorhanden gegevens geen grond om te betwijfelen dat het bestreden besluit ook op vrijdag 20 juli 2001 is verzonden. De beroepstermijn is derhalve daags daarna aangevangen, zodat de laatste dag waarop nog (binnen de termijn van 6 weken) een beroepschrift kon worden ingediend

3 september 2001 was. Aangezien de indiening heeft plaatsgevonden op 4 september 2001, is die termijn overschreden. Aangezien voorts is gesteld noch gebleken dat er redenen waren om die termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, kon en moest appellant in zijn beroep bij de rechtbank niet ontvankelijk worden geacht.

De rechtbank heeft bij ongedateerde, bij brief van 8 oktober 2002 aan partijen verzonden uitspraak appellants verzet tegen haar uitspraak van 18 oktober 2001 gegrond verklaard. Ingevolge artikel 8:55, zevende lid, van de Awb is daardoor de uitspraak van 18 oktober 2001 komen te vervallen en had de rechtbank het onderzoek dienen voort te zetten in de stand waarin het zich tot aan die vervallen verklaarde uitspraak bevond. Daaraan kan niet afdoen dat de rechtbank in haar tot gegrondverklaring van het verzet strekkende uitspraak met zoveel woorden de conclusie heeft getrokken dat het beroep tijdig is ingesteld, immers, in verzet was uitsluitend de al dan niet kennelijkheid van de niet-ontvankelijkheid aan de orde. Daar de rechtbank bij de thans aangevallen uitspraak is gekomen tot ongegrondverklaring van appellants beroep, moet - mede gelet op de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Raad van 17 juli 1998 - worden aangenomen dat de rechtbank impliciet en in navolging van haar uitspraak op verzet van oordeel is dat het beroep ontvankelijk is. Zoals de Raad hiervoor heeft aangegeven, is de rechtbank niet terecht en niet op goede gronden tot dat impliciete oordeel gekomen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het in eerste aanleg ingestelde beroep alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris - van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 april 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris - van Huussen.