Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW3238

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2006
Datum publicatie
24-04-2006
Zaaknummer
05-1668 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging bijstandsuitkering. Behoort auto tot vermogen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 181

Uitspraak

05/1668 NABW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2005, 04/2134 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 11 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.J.M. van Daalhuizen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2006. Voor appellante is verschenen mr. Van Daalhuizen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Bruggeman, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt sinds september 1998 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), laatstelijk berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Uit onderzoek van het Regionaal Interdisciplinair Fraudeteam Rotterdam is gebleken dat appellante vanaf 14 maart 2003 het kenteken van een nieuwe auto, een Mitsubishi Spacestar, op haar naam had staan. Deze auto is gekocht voor een bedrag van ruim € 17.000,--. Uit bankafschriften van appellante is tevens gebleken dat zij zowel de belasting als de verzekering voor deze auto betaalt.

Het College heeft hierin onder meer aanleiding gezien om bij besluit van 20 november 2003 het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 november 2003 te beëindigen.

Bij besluit van 4 juni 2004 heeft het College het tegen het besluit van 20 november 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie heeft het College daartoe overwogen dat

- samengevat - de waarde van de auto op 1 november 2003 het vrij te laten vermogen bedoeld in artikel 54, aanhef en onder b, van de Abw overschrijdt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juni 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voorzover hier van belang, het volgende overwogen (waar appellante is aangeduid als eiseres en het College als verweerder):

“Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, de veronderstelling dat deze auto een bestanddeel van het vermogen van die betrokkene vormt waarover hij daadwerkelijk de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in voldoende mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Eiseres heeft niet bestreden dat het kentekenbewijs van de Mitsubishi op

1 november 2003 op haar naam is gesteld. Uit de stukken en het ter zitting behandelde blijkt voorts dat de Mitsubishi een waarde vertegenwoordigde die het vrij te laten vermogen overschreed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van deze auto in de periode tussen 14 maart 2003 (de datum waarop de Mitsubishi op eiseres naam is gezet) en 1 november 2003 (de datum in geding) zodanig was afgenomen dat die waarde op de laatstgenoemde datum beneden de vermogensgrens lag.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd aan te tonen dat de Mitsubishi op de datum in geding geen bestanddeel vormde van haar vermogen. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij aan de verklaring van [betrokkene] niet de betekenis toekent die eiseres daaraan toegekend wenst te zien. Deze verklaring is immers niet meer dan een schriftelijk vastlegging van mededelingen die [betrokkene] ten overstaan van de notaris heeft gedaan, zonder dat de notaris de juistheid van die mededelingen heeft kunnen verifiëren. Verder acht de rechtbank van belang dat eiseres niet heeft aangetoond dat [betrokkene] de door eiseres betaalde motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies aan haar heeft terugbetaald. Tenslotte onderschrijft de rechtbank het standpunt van verweerder dat de omstandigheid dat het kenteken van de auto op 13 november 2003 op naam is gesteld van Van der Pluijm, er niet aan afdoet dat de auto op 1 november 2003 nog wel deel uitmaakte van eiseres vermogen.”.

De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht geen toereikende aanknopingspunten gevonden om dit oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden en onderschrijft de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad was op 1 november 2003 de waarde van de auto nog zodanig dat het toepasselijk vrij te laten vermogen op die datum werd overschreden. Van schulden waarbij bij de bepaling van de waarde van de auto nog rekening zou moeten worden gehouden, zoals in hoger beroep is aangevoerd, is niet gebleken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) M. Pijper.

RB2703