Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW3186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
24-04-2006
Zaaknummer
05/1221, 05/1223, 05/1224, 05/1225, 05/1226, 05/1228, 05/1229 en 05/1230 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diverse WW-besluiten. Gemiddeld aantal arbeidsuren? Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/1221, 05/1223, 05/1224, 05/1225, 05/1226, 05/1228, 05/1229 en 05/1230 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 januari 2005, 03/5353, 03/5355, 03/5356 (hierna: aangevallen uitspraak I) en tegen de uitspraak van de rechtbank

’s-Gravenhage van 3 januari 2005, 03/5359, 03/5360, 03/5362, 03/5363, 03/5365 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 april 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G. Cantarella, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken I en II, zodat bij de Raad twee gedingen aanhangig zijn.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide gedingen heeft gevoegd plaatsgevonden op

22 februari 2006. Voor appellant is verschenen mr. Cantarella. Het Uwv heeft zich -na daartoe te zijn opgeroepen- laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, als vaststaande aangenomen, feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant heeft van 26 juni 1995 tot aan zijn ziekmelding op 2 augustus 1998 als slagershulp gewerkt bij werkgever Burg & Bol B.V. Het Uwv heeft bij besluit van

30 maart 2000 geweigerd appellant met ingang van 3 augustus 1999 in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat appellant op die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Met zijn aanvraagformulier van 11 april 2000 vraagt appellant met ingang van

3 augustus 1999 een WW-uitkering aan. Appellant geeft daarop aan voor 30 uur per week beschikbaar voor arbeid te zijn. Op zijn werkbriefje gedateerd 21 april 2000 geeft appellant aan met ingang van 8 mei 2000 voor 40 uur per week beschikbaar te zijn. Bij besluit van 17 mei 2000 brengt het Uwv appellant met ingang van 3 augustus 1999 in aanmerking voor een WW-uitkering, berekend naar een dagloon van f 151,42 (€ 68,52). Voorts wordt aan appellant met ingang van 3 augustus 1999 een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend van f 0,19 (€ 0,09) per dag. Op 23 mei 2001 is appellant een uitzendovereenkomst aangegaan met EP’92 uitzendbureau en met ingang van

5 juni 2001 is hij als declaratiemedewerker in dienst getreden bij inlener Azivo op basis van een dienstverband voor 34 uur per week. Op 7 juni 2001 heeft appellant zich bij Azivo ziekgemeld. Appellant heeft zich op 11 juni 2001 hersteld gemeld, maar heeft de werkzaamheden niet hervat omdat hij, naar zijn zeggen, onvoldoende was ingewerkt en zodoende zijn werk niet goed kon verrichten. Van zijn werkzaamheden via het uitzendbureau heeft appellant geen melding gemaakt bij het Uwv. Uit verkregen informatie van een medewerkster van het uitzendbureau blijkt dat appellant, bij gebleken geschiktheid, vier tot zes maanden, tot zelfs een jaar, bij Azivo had kunnen blijven werken.

2.2. Het Uwv neemt vervolgens acht besluiten gedateerd 5 juni 2003 waarin het volgende wordt beslist:

1. Herleving met ingang van 11 juni 2001 van appellants, op 7 juni 2001 in verband met ingetreden arbeidsongeschiktheid, geëindigde vervolguitkering.

2. Appellant wordt een boete opgelegd vanwege de overtreding van de mededelingsverplichting van artikel 25 van de WW.

3. Appellants WW-uitkering wordt met ingang van 11 juni 2001 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

4. Appellants WW-uitkering wordt met ingang van 5 juni 2001 beëindigd in verband met werkhervatting. Appellant is niet langer werkloos.

5. Beëindiging van appellants WW-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid met ingang van 7 juni 2001.

6. Appellants WW-uitkering wordt met ingang van 3 augustus 1999 gedeeltelijk beëindigd omdat appellant zich vanaf die datum voor 30 uur per week beschikbaar stelt om arbeid te aanvaarden.

7. Appellant wordt met ingang van 3 augustus 1999 in aanmerking gebracht voor een toeslag ingevolge de TW van € 11,22 per dag.

8. Appellants WW-dagloon wordt met ingang van 3 augustus 1999 vastgesteld

op € 65,28 per dag.

2.3. Appellant heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt, waarop door het Uwv bij de acht thans bestreden besluiten van 3 november 2003 is beslist. Daarbij heeft het Uwv de hiervoor genoemde besluiten 3, 4, 7 en 8 gehandhaafd. Het Uwv stelt zich hierbij onder meer op het standpunt dat hij bij de toekenning van de WW-uitkering met ingang van

3 augustus 1999 er ten onrechte van uit is gegaan dat appellant bij werkgever

Burg & Bol B.V. werkzaam was gedurende 40 uur per week. Na contact met deze werkgever is gebleken dat appellant, conform de toepasselijke CAO, op 38 uur per week zijn werkzaamheden als slagershulp heeft verricht. De bezwaren tegen besluit 1 zijn gegrond verklaard, waarbij het Uwv heeft overwogen dat aan een herleving van appellants WW-uitkering met ingang van 11 juni 2001 niet wordt toegekomen omdat deze uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd en voorts deze uitkering per 5 juni 2001 in verband met werkhervatting reeds is geëindigd. Appellants bezwaar tegen besluit 2 is gegrond verklaard omdat het Uwv bij nader inzien meent niet over te kunnen gaan tot het opleggen van een boete. De bezwaren tegen besluit 5 zijn gegrond verklaard, waarbij het Uwv heeft overwogen dat aan een beëindiging van de WW-uitkering met ingang van 7 juni 2001 wegens ingetreden arbeidsongeschiktheid niet wordt toegekomen, omdat deze uitkering reeds per 5 juni 2001 in verband met werkhervatting is beëindigd. De bezwaren tegen besluit 6 zijn door het Uwv in zoverre gegrond verklaard dat appellants WW-uitkering met ingang van 5 mei 2000 weer volledig zal worden uitbetaald, omdat appellant heeft aangegeven per die datum weer volledig beschikbaar te zijn om arbeid te aanvaarden.

3. De rechtbank heeft appellants beroep tegen de bestreden besluiten van 3 november 2003 ten aanzien van de besluiten 2 en 5, wegens het ontbreken van een belang niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen tegen de overige besluiten van 3 november 2003 zijn door de rechtbank ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraken I en II.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ter zitting heeft appellant het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank ten aanzien van besluit 2 ingetrokken. Appellant heeft, nadat de gemachtigde van het Uwv ter zitting had aangegeven dat een en ander voor appellant geen financiële consequenties heeft, evenmin zijn hoger beroep gehandhaafd ten aanzien van het besluit waarmee over de periode van 3 augustus 1999 tot 5 mei 2000 appellants WW-uitkering betaald zal worden naar een beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt van

30 uur per week (besluit 6). Ter zitting heeft het Uwv verklaard de besluiten met betrekking tot de dagloon- en toeslagcorrectie niet langer te handhaven. Dat geldt ook voor de besluiten waarmee appellants WW-uitkering volledig beëindigd wordt per

5 en 7 juni 2001. Voorts is ter zitting gebleken dat door appellant niet langer wordt betwist dat er een gedeeltelijke beëindiging van het recht op WW-uitkering in verband met de werkhervatting op 5 juni 2001 dient plaats te vinden. Bovendien is niet langer tussen partijen in geschil dat er per 11 juni 2001 een herleving van appellants WW-uitkering dient plaats te vinden.

4.2. Gelet op het voorgaande stelt de Raad vast dat thans tussen partijen nog in geschil is de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren op 38 in plaats van 40 per week en de blijvend gehele weigering van WW-uitkering met ingang van 11 juni 2001 omdat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht het gemiddeld aantal arbeidsuren, zoals bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW, heeft vastgesteld op 38. De Raad stelt zich achter de overwegingen daaromtrent van de rechtbank. Ook voor de Raad is genoegzaam aannemelijk geworden dat appellant bij werkgever Burg & Bol B.V. gedurende gemiddeld 38 uur per week zijn werkzaamheden verrichtte. Dat appellant gedurende 40 uur per week werkzaam was acht de Raad, gelet op de verklaring van werkgever Van der Burg en hetgeen in artikel 16 van de CAO voor het Slagersbedrijf ten aanzien van de normale arbeidsduur is bepaald, niet aannemelijk gemaakt. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat uit de drie bankafschriften uit 1996 die appellant heeft overgelegd niet kan worden afgeleid dat appellant 40 uur per week werkte, terwijl appellant er voorts niet in is geslaagd op andere wijze, bijvoorbeeld door het overleggen van zijn arbeidsovereenkomst of salarisspecificaties, aannemelijk te maken dat hij meer dan 38 uur per week bij werkgever Burg & Bol B.V. werkte.

4.4. Het Uwv heeft bij het desbetreffende bestreden besluit van 3 november 2003 zijn standpunt gehandhaafd dat appellants WW-uitkering met ingang van 11 juni 2001 blijvend geheel moet worden geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Het Uwv heeft dit besluit onder meer gebaseerd op de verklaring van het uitzendbureau dat appellant bij gebleken geschiktheid voor minimaal vier tot zes maanden, dan wel een jaar, gedurende 34 uur per week werkzaamheden bij Azivo had kunnen verrichten. In hoger beroep bestrijdt appellant dat hij in strijd gehandeld heeft met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW. Appellant blijft zich op het standpunt stellen dat hij onvoldoende werd ingewerkt en voorts dat Azivo op een open sollicitatie appellant heeft bericht dat er geen passende vacature voor hem was en ook niet te verwachten viel.

4.5. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat het werk van declaratiemedewerker voor appellant passend is en dat appellant dat werk bij Azivo is kwijtgeraakt omdat hij op

11 juni 2001 niet meer op de werkplek is verschenen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het feit dat appellant niet goed was ingewerkt (wat daar verder ook van zij) geen reden is om niet terug te keren naar het werk. De Raad wijst er hierbij op dat het meer voor de hand had gelegen dat appellant zijn werkgever, of de inlener Azivo hier op had aangesproken, terwijl het bovendien onmogelijk is te veronderstellen dat appellant al na slechts twee dagen werken volledig zou kunnen zijn ingewerkt. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt stelt dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Het feit dat Azivo in een eerdere instantie kennelijk negatief gereageerd heeft op een open sollicitatie van appellant doet hieraan naar het oordeel van de Raad niet af, omdat Azivo kennelijk voor kortere en langere tijd personeel via een uitzendbureau inhuurt. Gelet op artikel 27, eerste lid, van de WW heeft het Uwv terecht de gevraagde WW-uitkering met ingang van 11 juni 2001 blijvend geheel geweigerd, terwijl er bovendien geen reden is om aan te nemen dat het niet nakomen van de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW, appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. Gelet hierop komt de Raad niet toe aan een oordeel over het nader door het Uwv ter zitting ingenomen standpunt dat, naast dat sprake is van een overtreding van de verplichting zoals omschreven in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW, appellants WW-uitkering met ingang van 11 juni 2001 blijvend geheel geweigerd dient te worden omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden omdat de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

5. De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, welke zijn begroot op € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak I voor zover betrekking hebbend op de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren op 38 en de blijvend gehele weigering van WW-uitkering per 11 juni 2001;

Vernietigt de aangevallen uitspraken I en II voor het overige;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in eerste aanleg en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 133,-- (€ 31,-- + € 102,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. van Zoelen-Altunc als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) B. van Zoelen-Altunc

SG

54