Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW3096

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
24-04-2006
Zaaknummer
05-5497 WW + 05-6508 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbare werkloosheid. Pro forma verweer in ontbindingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5497 WW

05/6508 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: rechtbank) van 12 augustus 2005, 05/1542 en 05/1969 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 april 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Veenhuijzen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij het verweerschrift was gevoegd een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit, gedateerd 23 september 2005.

De Raad heeft partijen meegedeeld dat hij heeft besloten om tevens een oordeel te geven over het hiervoor genoemde nadere besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Veenhuijzen voornoemd. Gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.B. Knollema, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

2.2. Appellante is op 8 december 1993 in dienst getreden als telefoniste/receptioniste met zorg voor de huishoudelijke taken bij Finles B.V. (hierna: werkgever). Met ingang van

1 mei 1994 was zij werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.3. Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter bij beschikking van

25 november 2004 deze arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2005 wegens wijziging van omstandigheden ontbonden en aan appellante een vergoeding toegekend als aangeboden in het verzoekschrift van de werkgever.

2.4. Bij besluit van 14 maart 2005 heeft het Uwv de door appellante aangevraagde WW-uitkering met ingang van 1 februari 2005 geweigerd op de grond dat appellante verwijt-baar werkloos is omdat zij akkoord is gegaan met de beëindiging van haar dienstverband. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 mei 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover in geding, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van haar uitspraak opnieuw een beslissing te nemen op het bezwaar van appellante. Zij heeft daartoe overwogen dat uit de stukken niet blijkt dat appellante daadwerkelijk verweer heeft gevoerd teneinde de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst te voorkomen. Voorts heeft zij overwogen dat uit het door het Uwv ingestelde onderzoek niet duidelijk naar voren is gekomen wat de reden is geweest voor de werkgever om het ontbindingsverzoek te doen. De door de werkgever in het ontbindingsverzoek genoemde reden, te weten een verschil van inzicht over de wijze waarop de werkzaamheden door appellante dienen te worden uitgevoerd, is zowel door de werkgever als door appellante tegenover het Uwv slechts uiterst summier toegelicht en ook ter zitting van de rechtbank is daaromtrent niet veel meer duidelijk geworden. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het Uwv het summiere verweer van appellante in het kader van de ontbindingsprocedure voor de kantonrechter terecht heeft aangemerkt als een nagenoeg pro forma verweer waaruit kan worden afgeleid dat appellante heeft ingestemd met de beëindiging van haar dienstverband. Op grond daarvan heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante de op haar rustende verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder b, van de WW niet is nage-komen. Niettemin heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit geen stand kan houden omdat in dat besluit niet is ingegaan op de ingevolge de WW te beantwoorden vraag of de verwijtbare werkloosheid appellante in overwegende mate te verwijten valt als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de WW, noch of sprake is van dringende redenen waarom van het opleggen van de maatregel van blijvend gehele weigering moet worden afgezien als bedoeld in het zesde lid van laatstgenoemd artikel.

4.2. Appellante heeft in hoger beroep het standpunt herhaald dat zij niet verwijtbaar werkloos is geworden, waartoe zij verwijst naar het oordeel van de kantonrechter, neergelegd in diens beschikking van 25 november 2004. Voorts heeft zij aangevoerd dat er wel degelijk sprake was van een verschil van inzicht tussen haar en de werkgever over de wijze waarop zij haar werkzaamheden diende te verrichten en dat er sprake was van zodanige problemen in de werkverhouding met haar chef dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd. Zij verwijt het Uwv onvoldoende deugdelijk en zorgvuldig onderzoek te hebben gedaan, omdat uit zodanig onderzoek zou blijken dat van haar niet kon worden verlangd zich daadwerkelijk te verzetten tegen de ontbinding van haar dienstverband.

4.3. Het Uwv heeft in verweer gesteld dat hij zich voldoende inspanningen heeft getroost om inzicht te krijgen in de redenen voor de beëindiging van het dienstverband maar dat hij, gelet op de opstelling van de werkgever en appellante, onvoldoende gegevens heeft gekregen om te kunnen aannemen dat sprake was van een situatie waarin zou moeten worden gezegd dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van appellante kon worden gevergd, zodat het voeren van slechts een formeel verweer haar niet zou kunnen worden toegerekend. Het Uwv heeft overigens in het oordeel van de rechtbank berust en naar aanleiding daarvan een nieuw besluit genomen waarin met name is ingegaan op de door de rechtbank genoemde aspecten.

5.1. De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het Uwv in de plaats van het bij de aangevallen uitspraak vernietigde besluit een nader besluit d.d.

23 september 2005 heeft genomen waarin hij, naar ter zitting desgevraagd is bevestigd, het standpunt, neergelegd in het vernietigde besluit dat sprake is van verwijtbare werkloosheid, heeft gehandhaafd, en voorts het standpunt heeft ingenomen dat er in de omstandigheden van het voorliggende geval geen aanleiding is om te concluderen tot verminderde verwijtbaarheid, noch tot het aannemen van dringende redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel. Met dit nadere besluit is het Uwv niet aan de bezwaren van appellante tegemoet gekomen. De door appellante in hoger beroep wederom aangevoerde grieven zal de Raad betrekken bij de beoordeling van dit nadere besluit, nu naar zijn oordeel appellante, gelet op haar stellingen in hoger beroep, geen belang meer heeft bij een beoordeling van het door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak gegeven oordeel over het vernietigde besluit.

5.2. De Raad is, gelet op de gedingstukken alsmede het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting, van oordeel dat het Uwv appellante terecht verwijt dat zij de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, niet is nagekomen. Ook de Raad is niet gebleken van zodanige verschillen van inzicht met betrekking tot de uitoefening van de functie tussen appellante en haar werkgever, dan wel van een zodanig verstoorde werkverhouding tussen appellante en haar leidinggevende, de heer R.J.A.F. van der Kroon, dat sprake zou zijn van een situatie waarin moet worden geoordeeld dat tegen de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van appellante kan worden gevergd. Appellante heeft, hoewel daar tijdens het onderzoek ter zitting nadrukkelijk naar gevraagd, niet aannemelijk kunnen maken dat zich een situatie als even bedoeld wel zou voordoen, zodat de Raad het er met het Uwv voor moet houden dat appellante onnodig heeft meegewerkt aan, dan wel heeft ingestemd met, de beëindiging van haar dienstbetrekking. Onder deze omstandigheden heeft het Uwv appellante terecht verweten dat zij heeft volstaan met het voeren van een formeel verweer in de door de werkgever gestarte ontbindingsprocedure voor de kantonrechter.

5.3. De Raad kan zich evenmin stellen achter het betoog van appellante dat zij niet verwijtbaar werkloos is te achten omdat de kantonrechter heeft overwogen dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst. Niet alleen blijkt reeds uit de beschikking van de kantonrechter dat deze heeft geoordeeld op grond van hetgeen door appellante en de werkgever is gesteld, maar ook heeft het Uwv, zoals de Raad bij herhaling heeft overwogen, een eigen verantwoordelijkheid voor het verrichten van onderzoek naar hetgeen ten grondslag heeft gelegen aan een door de ontbinding door de kantonrechter beëindigde arbeidsovereenkomst, teneinde de vraag te kunnen beantwoorden of de betrokkene, in casu appellante, in strijd heeft gehandeld met de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW neergelegde verplichtingen. Ook de stelling van appellante dat het Uwv onvoldoende deugdelijk en zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, acht de Raad door appellante niet genoegzaam aannemelijk gemaakt.

5.4. Tenslotte ziet de Raad in de door appellante aangevoerde grieven onvoldoende grond om te oordelen dat het niet nakomen van de hierboven genoemde verplichting haar niet in overwegende mate kan worden verweten, dan wel dat er sprake is van dringende redenen die maken dat van het opleggen van een maatregel dient te worden afgezien.

5.5. Het nader genomen besluit van 23 september 2005 kan, gelet op hetgeen de Raad hierboven heeft overwogen, in rechte stand houden, zodat moet worden beslist als hieronder is vermeld.

6. De Raad ziet op grond van het hierboven overwogene geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 september 2005 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

FB/19/4