Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW3007

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
24-04-2006
Zaaknummer
05/4496 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening van besluit tot afwijzing aanvraag WUBO-uitkering. Geen sprake van nieuwe feiten en of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4496 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 6 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Onder dagtekening 23 juni 2005, kenmerk JZ/Z70/2005, heeft verweerster ten aanzien van appellante een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit is namens appellante bij de Raad beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 februari 2006. Voor appellante is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft (de rechtsvoorganger van) verweerster bij eerdere besluiten van oktober 1994, maart 1995, februari 1996, september 1998, april 2002 en januari 2004 afwijzend beslist op aanvragen van appellante om - onder meer - toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet. Daartoe is in hoofdzaak overwogen dat appellante weliswaar vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet, maar dat bij appellante geen sprake was van blijvende lichamelijke of psychische invaliditeit als gevolg van haar oorlogservaringen.

Op 31 augustus 2004 is namens appellante opnieuw een verzoek bij verweerster ingediend om toekenning van een periodieke uitkering, een toeslag ter verbetering van haar levensomstandigheden en bijzondere voorzieningen vanwege een toename van haar psychische klachten. Ter ondersteuning van dat verzoek heeft appellante een rapport en een aanvullende brief ingebracht van de psycholoog, drs. G.M.P.M. Tummers-Vlaar, van respectievelijk 27 maart 2004 en 30 november 2004.

Bij besluit van 23 december 2004 heeft verweerster dit verzoek afgewezen. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en de eerdere afwijzing gehandhaafd op de grond dat ook nu niet is gebleken dat er bij appellante sprake is van blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld. Daartoe heeft verweerster overwogen dat bij appellante sprake is van psychische klachten, bestaande uit straatvrees, persoonlijkheidsproblematiek en spanningshoofdpijn, maar dat deze klachten – ook indien rekening wordt gehouden met de zogenoemde Sequentiële Oorlogs-traumatisering (SOT) - niet samenhangen met haar oorlogservaringen. Verweerster heeft daarbij voorts aangegeven dat de psychische klachten van appellante zijn te verklaren uit genetische factoren en opvoedingspatronen, en dat ook de lichamelijke klachten duidelijk andere oorzaken hebben.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij overweegt daartoe als volgt.

De Raad stelt allereerst vast dat verweerster reeds meermalen eerdere verzoeken van appellante als het onderhavige heeft afgewezen op de grond dat bij appellante geen sprake is van psychische klachten als gevolg van het haar overkomen oorlogsgeweld, zodat verweerster het in geding zijnde verzoek terecht heeft beoordeeld als een verzoek om herziening.

Ingevolge het bepaalde in artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar eerder gegeven besluit in het voordeel van de betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het bestreden besluit slechts terughoudend kan toetsen. Deze rechtelijke toetsing is in het geval van appellante des te meer beperkt nu het hier een meermalen herhaald verzoek om herziening betreft.

Bij een verzoek om herziening staat de vraag centraal of appellante bij haar verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die bij verweerster ten tijde van de besluitvorming over de eerdere aanvraag niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden om het destijds genomen besluit te herzien.

Verweerster heeft in navolging van de adviezen van twee van haar geneeskundig adviseurs geoordeeld dat er geen reden is om terug te komen van het eerder oordeel dat bij appellante geen sprake is van blijvende psychische invaliditeit als gevolg van haar oorlogservaringen. Deze adviezen berusten onder meer op eigen onderzoek van de geneeskundig adviseur M. Hoornstra-Deurloo, het (aanvullend) onderzoeksverslag van de psycholoog Tummers-Vlaar, alsmede de psychiatrische expertise van de psychiater mr. C.M.M. Vleugels van 9 februari 1999.

In de gedingstukken heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden om aan de juistheid van het oordeel van verweerster te twijfelen. Ook de Raad kan in de door appellante ingebrachte psychologische expertise van de psycholoog Tummers-Vlaar, alsmede de door haar bij brief van 30 november 2004 daarop gegeven toelichting, geen relevante nieuwe gegevens vinden die voor verweerster aanleiding hadden moeten zijn om terug te komen van het eerder ingenomen standpunt dat bij appellante geen sprake is van blijvende psychische invaliditeit als gevolg van haar oorlogservaringen. Naar het oordeel van de Raad komt uit de aanwezige medische stukken het beeld naar voren dat bij appellante - over de jaren heen - sprake is van een zekere verergering van de psychische klachten, maar dat aan het ontbreken van het door de Wet vereiste oorzakelijke verband tussen het ondergane oorlogsgeweld en de psychische klachten geen verandering is gekomen.

De Raad overweegt voorts dat voor het door appellante bepleite nadere psychologisch onderzoek geen plaats is in zaken zoals de onderhavige waarin herziening van eerdere rechtens vaststaande besluiten aan de orde is, terwijl geen nieuwe feiten en of omstandigheden naar voren zijn gebracht.

Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht, tot slot, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

14.03