Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW2951

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
24-04-2006
Zaaknummer
05/3931 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer. Deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3931 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], USA, (hierna: appellante),

en

Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 6 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [dochter] (dochter van appellante) beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 31 maart 2005, kenmerk JZ/Z60/2005/0166, ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2006. Appellante is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellante in september 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet als weduwe van [betrokkene] (hierna: betrokkene), die is geboren op 15 juni 1917 en op 13 augustus 2002 is overleden. De aanvraag is gebaseerd op de omstandigheid dat betrokkene (van Joodse afkomst) tijdens de Duitse bezetting van Nederland vervolging heeft ondergaan en dat de stress tengevolge van zijn oorlogservaringen en het verlies van zijn verwanten zijn gezondheidsproblemen mede zouden hebben veroorzaakt.

Verweerster heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 9 november 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gewijzigd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet.

De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellante in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet heeft recht op een uitkering de weduwe van de vervolgde van wie het overlijden redelijkerwijs aan de vervolging kan worden toegeschreven.

Het bestreden besluit is met betrekking tot de toepassing van het zojuist genoemde voorschrift in overeenstemming met het medische advies van de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Uit dit advies - dat mede is gebaseerd op informatie afkomstig van de artsen die betrokkene hebben behandeld - komt naar voren dat betrokkene is overleden aan de gevolgen van een hartstilstand, waarbij secundair een rol speelden hypertensie, nierfalen en diabetes mellitus. De geneeskundig adviseur is van oordeel dat die aandoeningen, evenals de darmkanker waaraan betrokkene leed, gelet op de aard daarvan niet in verband zijn te brengen met de ondergane vervolging.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van dit medisch advies deugdelijk gemotiveerd.

Aangezien voorts op grond van de stukken niet is gebleken dat betrokkene ten tijde van zijn overlijden in het genot was van enige uitkering die verband hield met ziekten of gebreken die wel met de vervolging in verband staan, kan appellante evenmin aan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet recht op de gevraagde uitkering ontlenen.

Aan het vorenstaande kan niet afdoen de verklaring van J.M. Kirby, tandarts en buurman van betrokkene, dat betrokkene zijns inziens in ernstige mate aan PTSD leed, aangezien niet is gebleken dat hij als gevolg daarvan is overleden of dat hij op basis daarvan ten tijde van zijn overlijden een uitkering genoot.

Overigens maakt de van de kant van appellante eveneens overgelegde verklaring van de arts J.A. Edwards, die betrokkene jarenlang behandeld heeft, alleen melding van lichamelijke klachten en direct daarmee samenhangende psychische problematiek en niet van vervolgingsgerelateerde klachten.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

09.03