Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW2915

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
24-04-2006
Zaaknummer
05/3817 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergoeding kosten van bezwaar. Aan bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid bij rauwelijks stopzetten vergoeding in afwachting van gevraagde inlichtingen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:8, geldigheid: 2006-04-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3817 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak:6 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 9 mei 2005, kenmerk JZ/D80/2005, waarbij ten aanzien van appellante toepassing is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bierenbroodspot, voornoemd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1961, is bij besluit van 11 december 1995 gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wet. Bij besluit van 19 december 2000 is haar een periodieke uitkering op grond van de Wet toegekend. Bij besluit van 21 november 2000 is aan appellante met ingang van 1 januari 1999 een vergoeding toegekend voor extra huishoudelijke hulp, maximaal vier uren per week, tot het geldende normbedrag dat per ingangsdatum f 14,50 en per 1 april 1999 f 15,- per uur bedraagt, voorzover de kosten niet op andere wijze worden vergoed.

Bij brief van 9 augustus 2004 heeft appellante verweerster medegedeeld dat zij voor de huishoudelijke hulp die zij via de Stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) krijgt thans € 11,80 per uur betaalt, met een maximum van € 68,09 per periode. Zij heeft daaraan het verzoek verbonden de haar toegekende vergoeding voor huishoudelijke hulp naar dit bedrag te verhogen.

Bij brief van 30 augustus 2004 heeft verweerster appellante gevraagd of zij naast de huishoudelijke hulp van de Stichting JMW nog particuliere huishoudelijke hulp heeft en, zo ja, hoeveel uur per week en wat zij daarvoor betaalt. Tevens heeft verweerster in deze brief mededeling gedaan van haar besluit om, in afwachting van de reactie van appellante, per 1 september 2004 de vergoeding voor huishoudelijke hulp te beëindigen.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is door mr. Bierenbroodspot bij aanvullend bezwaarschrift en ter hoorzitting nader toegelicht. Tevens is verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar.

Bij het bestreden besluit van 9 mei 2005 heeft verweerster het bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat de vergoeding voor huishoudelijke hulp met ingang van 1 september 2004 wordt hervat. Het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar is echter afgewezen.

Het beroep heeft uitsluitend betrekking op de weigering om de kosten van het bezwaar te vergoeden.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Blijkens het bestreden besluit, zoals in het verweerschrift en ter zitting nader toegelicht, stelt verweerster zich op het standpunt dat geen sprake is van aan haar te wijten onrechtmatigheid van het primaire besluit van 30 augustus 2004. Daartoe heeft verweerster gewezen op de door appellante op 28 november 2000 ingediende declaratie huishoudelijke hulp, waarin uitsluitend melding is gemaakt van particuliere hulp. In het op 9 augustus 2004 ingediende verzoek om verhoging van de vergoeding tot € 11,80 maakte appellante daarentegen uitsluitend melding van hulp via de Thuiszorg van de Stichting JMW. Daardoor is twijfel ontstaan of appellante wel onverkort aanspraak kon maken op de aan haar uitbetaalde vergoeding. Mede om te voorkomen dat appellante met een oplopende verplichting tot terugbetaling zou worden geconfronteerd, is besloten de vergoeding met onmiddellijke ingang te beëindigen, aldus verweerster.

De Raad kan verweerster in dit betoog niet volgen. In het rapport van de Stichting JMW van 16 maart 2000, opgesteld ten behoeve van de aanvraag om vergoeding van huishoudelijke hulp, is duidelijk uiteengezet dat appellante hulp ontvangt via de Thuiszorg, maar dat die hulp niet altijd beschikbaar is en dat appellante met een vergoeding via de Wet (aanvullende) particuliere hulp kan aannemen. Dat appellante vervolgens op het declaratieformulier uitsluitend melding heeft gemaakt van particuliere hulp, heeft te maken met het feit dat met de kosten van die hulp het maximale bedrag van de vergoeding reeds werd bereikt. Niet ten onrechte heeft appellante erop gewezen dat het declaratieformulier minder goed is toegesneden op een situatie zoals de hare. In ieder geval staat vast dat appellante nooit te kennen heeft gegeven dat zij geen hulp via de Thuiszorg (meer) zou ontvangen. De kennelijk bij verweerster gerezen twijfel valt derhalve niet aan appellante toe te rekenen. Evenmin kan worden gesproken van een schending van de inlichtingenplicht.

De Raad wijst voorts op het bepaalde in artikel 4:8, eerste lid, van de Awb. Op grond van dit voorschrift had verweerster, alvorens tot stopzetting van de vergoeding te beslissen, appellante in de gelegenheid behoren te stellen haar zienswijze naar voren te brengen. Verweerster heeft echter juist het omgekeerde gedaan. Weliswaar bestaan er uitzonderingen op de bedoelde wettelijke verplichting, maar verweerster heeft desgevraagd niet aannemelijk kunnen maken dat zich hier zo'n uitzonderingsgeval voordoet. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellante in een kwetsbare positie verkeert, waarin het regelmatig beschikken over huishoudelijke hulp van groot belang is voor haar sociaal functioneren en haar psychische gezondheid. Ook hierover laat het rapport van de Stichting JMW van 16 maart 2000 geen enkel misverstand bestaan. Door de vergoeding rauwelijks te beëindigen, heeft verweerster een aanzienlijk risico genomen dat appellante ongerechtvaardigd in deze belangen zou worden geschaad.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de conclusie dat de onjuistheid van het primaire besluit van 30 augustus 2004, op grond waarvan dit besluit door verweerster is herroepen, moet worden aangemerkt als aan verweerster te wijten onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar is dus ten onrechte afgewezen.

De Raad zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen en verweerster met toepassing van artikel 8:75 in samenhang met artikel 7:15 van de Awb veroordelen in deze kosten, die worden begroot op € 644, wegens aan appellante verleende rechtsbijstand.

De Raad acht voorts termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644, aan kosten wegens aan appellante in beroep verleende rechtsbijstand, en op € 9,90 als reiskosten van appellante, totaal derhalve € 653,90.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van verweerster van 9 mei 2005 voorzover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar is afgewezen;

Veroordeelt verweerster in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.297,90, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellante het door haar in beroep betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

09.03