Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW2832

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2006
Datum publicatie
24-04-2006
Zaaknummer
04/1101 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Per einde wachttijd WAO-uitkering geweigerd. Zijn geduide functies passend? Is maatvrouw juist vastgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/1101 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 29 januari 2006, 03/49 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 11 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft namens mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was sedert 1 januari 2001 werkzaam in een bakkerij. Haar werkzaamheden bestonden voornamelijk uit het klaarmaken en inpakken van bestellingen. Op 3 juli 2001 heeft zij deze werkzaamheden gestaakt wegens diverse lichamelijke klachten.

Bij besluit van 28 juni 2002 heeft het Uwv appellante in aansluiting op het vervullen van de wachttijd, met ingang van 2 juli 2002, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd omdat zij minder dan

15 % arbeidsongeschikt was.

Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 december 2002 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de in rubriek I vermelde uitspraak heeft de rechtbank Assen het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat partijen het er over eens zijn dat appellante op medische gronden in elk geval in staat is de functies met de SBC-codes 315120 (telefoniste), 315170 (telefoniste) en 316040 (opmaker polissen) te verrichten. De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet gebleken is van arbeidskundige belemmeringen ten aanzien van deze functies.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht als maatvrouw niet de laatst uitgeoefende functie heeft genomen, maar de werkloze MBO-schoolverlater.

Appellante kan zich met die uitspraak niet verenigen en heeft daartegen aangevoerd dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Zij verzoekt de Raad een medisch dan wel een arbeidskundig onderzoek te laten verrichten. Voorts heeft zij aangevoerd dat de maatvrouw vaststelling niet juist is.

De Raad overweegt als volgt.

De verzekeringsarts W.C.A. Schaaphok heeft appellante op 1 mei 2002 onderzocht en heeft kennis genomen van informatie van de behandelend internist. Vervolgens heeft hij een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld.

Tijdens de heroverweging in bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen met appellante gesproken en informatie van de reumatoloog M.D. Posthumus bij zijn oordeel betrokken. Naar aanleiding van het rapport van de medisch adviseur D.J. Schakel heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML nog aangepast op het punt IV-3.8, repetitieve bewegingen van hand en vingers. Hij zag geen aanleiding voor het aannemen van beperkingen op psychisch gebied.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv aldus op zorgvuldige wijze en met juistheid de beperkingen van appellante vastgesteld. Met de informatie van appellantes behandelend internist en reumatoloog is rekening gehouden, evenals met de bevindingen van de medisch adviseur Schakel. In hoger beroep is voorts geen nadere medische informatie overgelegd. De Raad kan zich dan ook verenigen met het medische oordeel van het Uwv.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de zaak overweegt de Raad het volgende.

De arbeidsdeskundige R. Veenstra heeft in zijn rapportage van 27 juni 2002 geconcludeerd dat appellante niet langer geschikt is haar eigen werkzaamheden uit te oefenen. Hij acht appellante wel geschikt zes andere functies uit te oefenen.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 17 november 2003 geconcludeerd dat twee van de zes functies dienen te vervallen. Appellante wordt in staat geacht de functies telefoniste (SBC-code 315120), telefoniste (SBC-code 315170), opmaker polissen (SBC-code 316040) en wikkelaar (SBC-code 267050) te verrichten.

De arbeidsdeskundige heeft de functies geduid met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Met betrekking tot dit systeem heeft de Raad in haar uitspraken van 9 november 2004 (onder meer LJN AR4721) overwogen dat dit systeem een aantal in het oog springende onvolkomenheden bevat. De Raad heeft daarom vastgesteld dat uiterlijk bij het besluit op bezwaar de betreffende schatting dient te zijn voorzien van een zodanig deugdelijke toelichting en motivering, bijvoorbeeld neergelegd in de aan dat besluit ten grondslag te leggen rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en/of de bezwaararbeidsdeskundige, dat op grond daarvan voldoende inzicht wordt geboden in, en een voldoende mogelijkheid tot toetsing wordt verschaft van, de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust. Deze rapporten dienen bovendien, waar nodig, in het bijzonder op de bezwaren van de betrokkene te zijn toegesneden.

De Raad constateert dat in de FML bij een aantal belastingpunten door de (bezwaar-) verzekeringsarts een toelichting is gegeven. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voor het nemen van het bestreden besluit niet toegelicht waarom deze functies (toch) geschikt zijn voor appellante. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd is en dient te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten.

Vervolgens zal de Raad bezien of er aanleiding bestaat om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Ter zake overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 4 mei 2005 uitgebreid heeft gemotiveerd waarom de ook volgens het oordeel van de rechtbank nog overblijvende functies voor appellante geschikt zijn. Daarbij is onder meer aangegeven dat in de functies sprake is van meerdere wisselende taken, afwisseling in werkhouding en een korte aaneengesloten duur van toetsenbordhandelingen. Voorts zijn er, aldus dit rapport, in deze functies geen zogenoemde niet-matchende items aan de orde. De Raad acht deze toelichting voldoende. Wat betreft de in evenbedoelde functies gestelde opleidingseisen sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank in dat verband heeft overwogen.

De geduide functies voldoen voorts aan de eis dat sprake moet zijn van tenminste 3 functies, met elk minstens 7 en tezamen minstens 30 arbeidsplaatsen.

De geduide functies zijn derhalve terecht aan de schatting ten grondslag gelegd.

Gelet op het vorenstaande ziet de Raad geen aanleiding voor het laten verrichten van een medisch of arbeidskundig onderzoek, zoals door appellante verzocht.

Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv een onjuiste maatvrouw heeft gehanteerd. Deze grief slaagt.

Als maatvrouw arbeid wordt in beginsel genomen de arbeid die de verzekerde laatstelijk voor het intreden van haar arbeidsongeschiktheid uitoefende. Dit beginsel leidt slechts uitzondering als duidelijk en ondubbelzinnig blijkt dat de laatstelijk verrichte arbeid geen juiste maatstaf oplevert. Van zo’n uitzonderingssituatie is in dit geval geen sprake. Appellante heeft ruim zes maanden gewerkt en heeft niet extreem vaak of langdurig verzuimd. Het feit dat de bezwaarverzekeringsarts op 24 maart 2003 naar aanleiding van een vraagstelling door de rechtbank er niet van overtuigd was dat per einde wachttijd sprake is van toegenomen beperkingen, is evenmin voldoende om een dergelijke uitzonderingssituatie aan te nemen.

Als maatvrouw voor appellante geldt dan ook de medewerkster in een bakkerij.

Het maatvrouwloon bedraagt hetgeen appellante bij de bakkerij verdiende, € 8,97 bruto per uur. Gelet op hetgeen appellante in de nog overblijvende functies kan verdienen, bedraagt haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15%.

Gelet op het vorenstaande zullen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden vastgesteld op € 1.127,= (1 punt voor het beroepschrift in eerste aanleg, 1 punt voor het verschijnen ter zitting in eerste aanleg en ½ punt voor het verschijnen ter nadere zitting in eerste aanleg alsmede 1 punt voor het indienen van een hoger beroepschrift).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante ten bedrage van € 1.127,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het griffierecht ten bedrage van € 116,= aan appellante vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.