Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW2420

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2006
Datum publicatie
20-04-2006
Zaaknummer
05-2093 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering voorzieningen in het kader van de AOR op de grond dat niet is komen vast te staan dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

05/2093 AOR

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 11 maart 2005, kenmerk 1725/CAOR, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Algemene Oorlogsongevallenregeling ( hierna: AOR).

Eiser heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser aangegeven waarom hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen. Bij schrijven van 16 augustus 2005 heeft eiser zijn beroep nader toegelicht.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 februari 2006. Aldaar is eiser in persoon verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. L.H.G. Belleflamme en mr. R.L.M.J. Gielen, werkzaam bij verweerster.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren [in] 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft op 19 maart 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van voorzieningen in het kader van de AOR. In dat verband heeft eiser aangegeven dat hij op 10 november 1945 is betrokken geweest bij een bombardement op Soerabaya en gewond is geraakt aan zijn linker voet. Deze aanvraag van eiser is afgewezen bij besluit van verweerster van 3 februari 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op de grond dat niet is komen vast te staan dat eiser is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de AOR. Verweerster heeft zich daarbij mede gebaseerd op informatie verkregen door de Raadskamer WUBO ten behoeve van door eiser ingediende aanvragen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: WUBO) alsmede op een uitspraak van deze Raad van 15 november 2001, nummer 00/643 WUBO.

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens hetgeen in voornoemde uitspraak van de Raad is overwogen, heeft de Raad eisers betrokkenheid bij voormeld bombardement voor de toepassing van de WUBO niet aannemelijk geacht. De Raad heeft daarbij laten wegen dat eiser bij een aanvraag op grond van de WUBO uit 1991, noch bij twee latere aanvragen op grond van die wet dit bombardement naar voren heeft gebracht en wel melding heeft gemaakt van een arbeidsongeval dat hem in 1944 is overkomen en waarbij hij door een balk werd getroffen aan zijn voet met een flinke wond tot gevolg. In dit verband heeft de Raad een verklaring van eisers zuster [naam zuster], waarbij eisers betrokkenheid bij dit bombardement wordt bevestigd, buiten beschouwing gelaten omdat deze zuster in het kader van haar eigen aanvraag ingevolge de WUBO geen melding heeft gemaakt van het onderhavige bombardement.

De Raad acht het in beginsel aanvaardbaar dat verweerster ten behoeve van haar besluitvorming gebruik maakt van in het kader van de WUBO verkregen informatie, gegeven de verwantschap tussen de onderscheidene regelingen. Ook de Raad ziet geen aanleiding om hetgeen naar voren is gekomen omtrent eisers betrokkenheid bij dit bombardement anders te waarderen dan bij zijn eerdere in het kader van de WUBO gegeven uitspraak en thans in het kader van de AOR eisers betrokkenheid bij genoemd bombardement wel aannemelijk te achten. De Raad overweegt daarbij dat de in bezwaar namens eiser ingezonden verklaringen van M.E. Mesker en J.E. Broers-Mesker in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal kunnen leggen nu uit deze verklaringen niet blijkt dat deze getuigen uit eigen waarneming eisers verwonding tijdens het bombardement bevestigen.

Ter zitting heeft eiser nog opgemerkt dat hij gedurende de Bersiap-periode heeft moeten onderduiken omdat het voor hem niet veilig was ’s avonds thuis te blijven. De Raad stelt vast dat eiser deze ervaring niet aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd en dat verweerster daarover geen standpunt heeft ingenomen en ook niet had hoeven innemen. Ten overvloede overweegt de Raad dat deze gestelde onderduik op geen enkele manier is bevestigd.

Het beroep van eiser moet derhalve ongegrond worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

21.02