Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW2328

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
24-04-2006
Zaaknummer
04/80 ZW, 04/81 ZW, 04/3824 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting met toepassing CBBS. Motivering. Opleggen maatregel wegens te late ziekmelding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/80 ZW, 04/81 ZW, 04/3824 WAO (Rectificatie)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2004 (02/2975, hierna: aangevallen uitspraak 1) en 16 december 2003 (03/151, 03/540, 03/541, hierna: aangevallen uitspraak 2).

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Uwv heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn aan de orde gesteld ter zitting van 7 december 2005, waar partijen niet zijn verschenen en het onderzoek met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschorst. Het onderzoek is voortgezet ter zitting van 8 maart 2006. Appellante is daar verschenen met bijstand van mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

WAO-zaak

Appellante, werkzaam als medewerkster bloemenveiling via een uitzendbureau, is op 16 december 1998 uitgevallen met klachten van de linkerhand. Aan haar is per 15 december 1999 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 20 februari 2002 en 1 mei 2002 is appellante onderzocht door verzekeringsarts

E. Krijt, die een (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opstelde. Na functieselectie heeft arbeidsdeskundige R. Burghardt op basis van de functies machine-bediende, machinaal metaalbewerker en medewerker tuinbouw het verlies aan verdien-vermogen van appellante berekend op nihil. Hiermee in overeenstemming heeft het Uwv bij besluit van 11 juni 2002 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 7 augustus 2002 ingetrokken. Bij besluit van 29 oktober 2002 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 juni 2002 ongegrond verklaard.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het tegen bestreden besluit 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige, orthopedisch chirurg J.R.W. ten Kate.

Het hoger beroep van appellante richt zich in het bijzonder tegen het rapport van deze deskundige. Appellante bestrijdt niet de door Ten Kate op zijn vakgebied getrokken conclusies, maar meent dat de deskundige zich ten onrechte ook een oordeel buiten zijn vakgebied heeft aangemeten. Appellante stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de argumenten van het door haar gemachtigde geraadpleegde instituut Psychosofia en van orthopedisch chirurg O. Schreuder op WAO-relevantie had moeten beoordelen. Voorts meent appellante dat de (bezwaar)verzekeringsartsen ten onrechte geen rekening hebben gehouden met haar medicijngebruik. Zij vordert vergoeding van de proceskosten, terugbetaling van griffierecht en schadevergoeding.

De Raad oordeelt als volgt.

De gemachtigde van appellante heeft ter zitting verklaard dat de rechtbank na overleg met partijen een orthopedisch chirurg om advies heeft gevraagd. De rechtbank heeft vervolgens Ten Kate, voornoemd, verzocht haar van verslag en advies te dienen. Ten Kate heeft appellante onderzocht. Blijkens zijn verslag van 19 december 2003 is hij tot de volgende conclusies gekomen:

“Tijdens mijn onderzoek vind ik goede gewrichtsfuncties. Er is geen sprake van een substantieel functieverlies. Mijns inziens is er geen sprake van beperkingen die het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van een ziekte of gebrek zijn. Derhalve lijkt mij een beperkingenpatroon niet van toepassing en moet betrokkene zeker in staat worden geacht de functie’s zoals opgesomd te kunnen verrichten.”

Ten Kate is van oordeel dat deze situatie van toepassing was op de datum in geding,

7 augustus 2002. In zijn nader rapport van 31 augustus 2005 geeft hij nog aan dat een enkele afwijking of een zenuw die niet volledig normaal functioneert geen aanleiding hoeft te zijn niet aan het arbeidsproces deel te nemen.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. In dat verband merkt de Raad op dat de argumenten die van de zijde van appellante, mede in de vorm van een commentaar van Instituut Psychosofia, zijn aangevoerd in het bijzonder betrekking hebben op de door de (verzekerings)artsen gebezigde onderzoekmethoden. De Raad ziet in deze argumentatie geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van Ten Kate. Gelet op die conclusies kan niet worden staande gehouden dat de (bezwaar)-verzekeringsartsen de belastbaarheid van appellante hebben overschat.

Ten Kate heeft desgevraagd in zijn rapport aangegeven dat hij onderzoek door een andere deskundige niet nodig acht. De gemachtigde van appellante bestrijdt dit standpunt en stelt zich op het standpunt dat appellante, gelet op de bij haar aanwezige klachten, ook nog door een neuroloog dient te worden onderzocht. De Raad stelt vast dat blijkens het rapport en het nader rapport van Ten Kate de tintelingen die appellante in haar handen ervaart ter sprake zijn gekomen. Uit het nader rapport van Ten Kate maakt de Raad op dat hij hierin geen belemmering voor arbeid ziet. Dit komt de Raad gezien de overige bevindingen van Ten Kate niet onbegrijpelijk voor. De Raad ziet dan ook geen aanleiding het standpunt van Ten Kate dat een onderzoek door een andere deskundige niet nodig is niet te volgen.

De Raad stelt vast dat de onderhavige schatting tot stand is gekomen met toepassing van het zogenaamde Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). In dat verband verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJ-nummers AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722.

De verzekeringsarts heeft op de FML in rubriek 3, aanpassing aan fysieke omgevings-eisen, een beperking aangegeven ten aanzien van trillingsbelasting en in rubriek 4, dynamische handelingen, beperkingen ten aanzien van hand- en vingergebruik, schroefbewegingen met hand en arm, reiken en het hanteren van lichte voorwerpen.

Hangende het beroep in eerste aanleg heeft het Uwv de functie machinebediende laten vervallen en de schatting gebaseerd op de functies metaalbewerker, medewerker tuinbouw en inpakker. De Raad stelt vast dat bezwaararbeidsdeskundige F. Oudmaijer in zijn rapport van 3 november 2003 heeft vermeld dat zich in deze functies geen over-schrijdingen in de toegestane belastbaarheid van appellante voordoen hoewel de functie-belastingen duidelijke discrepanties met de FML laten zien. Zonder nadere toelichting is niet inzichtelijk waarom deze functies desondanks voor appellante geschikt kunnen worden geacht.

Bezien in het licht van de in voormelde uitspraken van de Raad van 9 november 2004 neergelegde hogere eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van schattingsbesluiten met behulp van het CBBS, is de Raad van oordeel dat de onderhavige schatting een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeert.

Gelet op de overwegingen van de Raad in zijn voormelde uitspraken betekent het vorenstaande dat bestreden besluit 1 en aangevallen uitspraak 1, waarbij het tegen bestreden besluit 1 ingestelde beroep ongegrond is verklaard, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Awb dienen te worden vernietigd.

Voorts stelt de Raad vast dat van de zijde van het Uwv in hoger beroep met een rapport van Oudmaijer van 29 juni 2005 alsnog een nadere toelichting op bestreden besluit 1 is gegeven. In dit rapport is gemotiveerd aangegeven dat voormelde, voor appellante vastgestelde beperkingen geen belemmering voor haar vormen om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te kunnen uitoefenen. Tevens is aangegeven dat deze functies ook overigens geschikt voor haar zijn. De Raad is van oordeel dat met dit rapport alsnog de noodzakelijk geachte onderbouwing van bestreden besluit 1 is gegeven. Dit oordeel in combinatie met het gegeven dat bestreden besluit 1 vóór 1 juli 2005 is genomen, brengt de Raad, wederom onder verwijzing naar zijn voormelde uitspraken van

9 november 2004, tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen blijven.

ZW-zaken

Appellante, die sedert 7 augustus 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft zich op 17 oktober 2002 per 8 oktober 2002 ziek gemeld wegens opname in het ziekenhuis in verband met een operatie aan haar linkerhand. Op 4 november 2002 is zij onderzocht door verzekeringsarts M.C. Cornelisse, die haar per 5 november 2002 weer geschikt achtte voor het verrichten van de in het kader van de WAO-herbeoordeling geselecteerde functies. Bij besluit van 14 november 2002 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij op en na 5 november 2002 geen recht op ziekengeld meer heeft. Bij besluit van 10 januari 2003 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 november 2002 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft het Uwv appellante wegens te late ziekmelding de maatregel van 10% korting van het ziekengeld over de periode van 10 tot en met

17 oktober 2002 opgelegd. Bij besluit van 4 februari 2003 (hierna: bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 oktober 2002 ongegrond verklaard.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank, onder meer, de tegen de bestreden besluiten 2 en 3 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij op en na 5 november 2002 geen arbeid kon verrichten. De operatie aan de linkerhand heeft niet geleid tot verbetering. Tevens leed appellante aan eenzijdige hoofdpijn, waarvan de oorzaak niet is vastgesteld.

Ten aanzien van de opgelegde maatregel stelt appellante zich op het standpunt dat de in het kader van de behandeling van het bezwaar tegen het WAO-besluit op 8 oktober 2002 door haar gemachtigde ingezonden mededeling dat appellante in het ziekenhuis was opgenomen als ziekmelding dient te worden aangemerkt, zodat geen sprake is van een te late ziekmelding.

De Raad oordeelt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verze-kerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcreti-seerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. In de thans te beoordelen zaak betekent het voorgaande dat ter zake van appellantes ziektegeval van 8 oktober 2002 als maatstaf dienen te worden aangelegd de functies die ten grondslag liggen aan de schatting per 7 augustus 2002. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie RSV 2003/97) dient onder ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van die functies afzonderlijk.

Verzekeringsarts Cornelisse heeft bij zijn onderzoek op 4 november 2002 geconcludeerd dat de medische situatie van appellante weer was als voor de operatie en dat zij weer belastbaar was conform het belastbaarheidsprofiel van 1 mei 2002. Hij achtte haar in ieder geval geschikt voor de functies lederbewerker, wasserijmedewerker, inpakker en machinebediende. Bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink heeft na eigen onderzoek op

23 december 2002 de conclusies van Cornelisse bevestigd.

De Raad ziet in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad hebben de door appellante gebezigde argumenten niet de status van objectief medische gegevens. Appellante heeft geen nadere informatie van de behandelaars overgelegd waaruit een ander medisch toestandsbeeld blijkt. Gelet daarop moest appellante op en na

5 november 2002 in staat worden geacht in ieder geval de functie inpakker te vervullen. Het Uwv heeft dan ook terecht geweigerd appellante op en na 5 november 2002 ziekengeld te verstrekken. Dit betekent dat bestreden besluit 2 in stand kan blijven.

Ten aanzien van de aan appellante opgelegde maatregel overweegt de Raad dat appellante ingevolge het bepaalde in artikel 38a, eerste lid, van de ZW verplicht is de ziekte niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid te melden bij het Uwv. Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder d, van de ZW weigert het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk indien de verzekerde het voorschrift, gegeven in artikel 38a, eerste lid, van de ZW niet heeft opgevolgd. Ingevolge het op grond van artikel 45, zesde lid, van de ZW opgestelde Maatregelenbesluit Tica in samenhang met de Bijlage bij dit besluit bedraagt de hoogte en duur van de maatregel bij niet behoorlijk nakomen van de verplich-ting van artikel 38a, eerste lid, van de ZW 10% over de te late termijn, indien het gestelde tijdstip met meer dan 7, doch niet meer dan 28 kalenderdagen wordt overschreden.

De Raad stelt vast dat appellante de ziekenhuisopname per 8 oktober 2002 uiterlijk op

9 oktober 2002 had moeten melden bij het Uwv. Zij heeft zich blijkens het formulier ‘Aangifte arbeidsongeschiktheid WW’ echter pas op 17 oktober, derhalve 8 dagen te laat, bij het Uwv ziek gemeld. Het standpunt van appellante dat de in het kader van de bezwaarprocedure tegen het WAO-besluit ingezonden brief van 8 oktober 2002 met daarbij een afschrift van de oproep van het ziekenhuis als ziekmelding heeft te gelden, volgt de Raad niet. Die brief is niet meer dan een begeleidende brief bij de opname-bevestiging en kan niet als ziekmelding in het kader van de WW worden aangemerkt.

De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van verminderde verwijtbaarheid aan de kant van appellante. Het Uwv was dan ook gehouden appellante voormelde maatregel op te leggen. Gelet daarop kan ook besluit 3 in stand blijven en komt aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is van door appellante geleden schade geen sprake. Gelet daarop wijst de Raad het verzoek om schadevergoeding af.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op eveneens € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.449,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt aangevallen uitspraak 1;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt bestreden besluit 1;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.449,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van € 116,- vergoedt;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor zover in deze uitspraak aan de orde;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op

19 april 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

MH