Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW2319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2006
Datum publicatie
20-04-2006
Zaaknummer
05/4264 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overschrijding bezwaartermijn niet verontschuldigbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

05/4264 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 9 juni 2005, kenmerk JZ/P90/2005, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen.

Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 februari 2006. Daar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 25 maart 2005 heeft verweerster aan eiseres bericht dat zij als weduwe van [J. V.], overleden op 4 februari 2005 en erkend burger-oorlogslachtoffer in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, recht heeft op een tijdelijke voortzetting gedurende drie maanden van de aan haar echtgenoot toegekende tegemoetkoming op grond van die wet in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer.

Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt bij schrijven van 19 mei 2005 dat op 26 mei 2005 bij verweerster is ingekomen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster eiseres in haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de voor de indiening van een bezwaarschrift ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wetbestuursrecht (Awb) geldende termijn van zes weken. In dat verband is overwogen dat de door eiseres genoemde omstandigheden de termijnoverschrijding niet kunnen verontschuldigen zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiseres niet in verzuim is geweest in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

De Raad overweegt als volgt.

Gezien de hierboven weergegeven feiten staat vast - en wordt ook niet betwist - dat eiseres de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb heeft overschreden.

Ter verklaring van de termijnoverschrijding heeft eiseres zowel in bezwaar als in beroep aangegeven - samengevat - dat zij na het overlijden van haar echtgenoot op het dringend advies van de huisarts enkele weken bedrust heeft moeten nemen vanwege haar slechte geestelijke en lichamelijk toestand; dit mede als nasleep van de intensieve verzorging van haar echtgenoot. Eerst nadat de huisarts haar adviseerde enkele activiteiten te ontplooien, heeft zij, aldus eiseres, een bezwaarschrift ingediend.

Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster in hetgeen eiseres heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien om niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van artikel 6:11 van de Awb achterwege te laten. Hiertoe overweegt de Raad dat, hoe invoelbaar de door eiseres aangevoerde persoonlijke omstandigheden ook zijn, het op de weg van eiseres had gelegen maatregelen te treffen om – zonodig met behulp haar kinderen of de door haar genoemde gemachtigde – zorg te dragen voor het tijdig (laten) indienen van een (voorlopig) bezwaarschrift.

Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat het beroep van eiseres ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.