Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW2063

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
18-04-2006
Zaaknummer
03/5777 WAO, 03/5778 ZW, 04/3463 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Is medische grondslag juist? Weigering ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/5777 WAO, 03/5778 ZW, 04/3463 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 oktober 2003, 01/2372 en 01/2338 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 25 juni 2004 een nader besluit op bezwaar van diezelfde datum toegezonden.

Mr. Brouwer, voornoemd, heeft bij brief van 29 juni 2004 verzocht het beroep mede gericht te achten tegen het besluit op bezwaar van 25 juni 2004 en een, ongedateerd, rapport toegezonden van J.I.S. Kooij, psychiater te ’s-Gravenhage.

Desgevraagd heeft prof.dr. G.F. Koerselman, psychiater te Amsterdam, bij brief van 20 oktober 2005 gereageerd op het rapport van Kooij, voornoemd.

Mr. Brouwer heeft een rapport van de behandelend neuroloog dr. T.C.A.M. van Woerkom van 9 november 2005 en een reactie van Kooij van 14 februari 2006 op de brief van Koerselman van 20 oktober 2005 toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als kok toen hij in 1983 met psychische klachten uitviel. Met ingang van 8 mei 1984 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een arbeidsonge- schiktheidspercentage van 80 tot 100. Het Uwv verlaagde bij besluit van 17 september 1997 de WAO-uitkering met ingang van 17 april 1997 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Aan dit besluit lag de overweging ten grondslag dat appellant niet meer in staat was zijn eigen werk als kok te verrichten, maar nog wel andere gangbare arbeid in staat was. De rechtbank verklaarde bij uitspraak van 25 juni 1998 het beroep van appellant tegen het besluit van 17 september 1997 ongegrond, welke uitspraak de Raad bevestigde op 2 februari 2001.

Appellant, die naast zijn WAO-uitkering tevens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, meldde zich per

6 oktober 1999 ziek met toegenomen psychische klachten.

De verzekeringsarts I. Eygür, die appellant op zijn spreekuur van 6 juli 2000 zag, erkende dat tijdelijk sprake was toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar stelde tevens dat appellant ten tijde van zijn onderzoek weer even belastbaar was als in 1996. Bij besluit van 17 juli 2000 weigerde het Uwv ziekengeld met ingang van 1 augustus 2000 en bij besluit van

1 augustus 2000 verlaagde het Uwv de, per 3 november 1999 naar de hoogste klasse arbeidsongeschiktheid vastgestelde, WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45. De bezwaren van appellant tegen de weigering van het ziekengeld en de verlaging van de WAO-uitkering verklaarde het Uwv bij twee afzonderlijke besluiten van 18 mei 2001 (hierna te noemen: het WAO-besluit resp. het ZW-besluit) ongegrond. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze twee besluiten ongegrond.

De rechtbank heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de door haar ingeschakelde psychiater Koerselman, die op grond van zijn bevindingen geen specifieke psychiatrische stoornis kon vaststellen. Koerselman vond aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis die niet nader kan worden omschreven, maar wel gekenmerkt wordt door narcistische en ontwijkende trekken. Volgens Koerselman brengt een dergelijke persoonlijk- heidsstoornis beperkingen mee ten aanzien van de psychische belastbaarheid en in het geval van appellant zijn dat beperkingen ten aanzien van conflicthantering en conflicterende functie-eisen. Koerselman zag geen duidelijke redenen voor meer beperkingen en kon zich verenigen met het door een aan het Uwv verbonden verzekeringsarts op 18 september 1996 opgestelde belastbaarheidpatroon, waarin op beide genoemde aspecten een beperking is aangegeven.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het oude belastbaarheidspatroon ten onrechte is gehandhaafd, dat bij de bepaling van zijn belastbaarheid onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische en lichamelijke klachten, dat hij niet geschikt is voor het verrichten van werkzaamheden vanwege een toename van de psychische klachten en dat hij zich niet in staat acht 40 uur per week te werken. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep verwezen naar het door hem in geding gebrachte rapport van zijn behandelend psychiater Kooij.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt allereerst vast dat met het besluit van 25 juni 2004 wijziging is gebracht in het WAO-besluit van 18 mei 2001. Nu het besluit van 25 juni 2004 niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van

25 juni 2004 (hierna: bestreden besluit 1). Het Uwv heeft te kennen gegeven het in het WAO-besluit ingenomen standpunt niet langer te handhaven. Hierdoor kan dit besluit geacht worden te zijn ingetrokken. Uit ’s Raads uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van een belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. In dit geval is zo'n verzoek niet gedaan en is ook niet anderszins van een belang gebleken, zodat het procesbelang is komen te vervallen en het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen het WAO-besluit ongegrond is verklaard, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De vraag die de Raad vervolgens moet beantwoorden is of bestreden besluit 1, waarbij de WAO-uitkering met ingang van

1 augustus 2000 wordt verlaagd en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, in rechte stand kan houden.

Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit 1 overweegt de Raad als volgt.

Kooij heeft in haar, ongedateerde, rapport aangegeven de conclusies van Koerselman niet te delen. Zij is tot de conclusie gekomen dat de diagnose aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) zeer waarschijnlijk is. Daarnaast is er volgens haar sprake van een sociale fobie.

Koerselman heeft uitvoerig gereageerd op het rapport van Kooij en samenvattend het volgende standpunt ingenomen.

"In dat verband wijs ik nogmaals op mijn beschouwing in mijn rapport van 24 maart 2003. Ik heb toen aangegeven dat de grens tussen enerzijds ADHD en anderzijds een combinatie van een persoonlijkheidsstoornis met een heftig temperament als verklaring van betrokkenes klachten relatief is. In beginsel zou ik op de brief van de psychiater Kooy het een en ander kunnen afdingen. Aangezien echter de beide opties waarover discussie bestaat elkaar overlappen, lijkt mij dat niet zinvol. Een “battle of expert”over diagnoses met vloeiende grenzen is weinig zinvol. Met andere woorden, ik kan mij er ook wel in vinden om de klachten en symptomen die ik constateerde bij mijn onderzoek in 2003 daarbij ook de toestand op

27 september 2000 reconstruerend, te verklaren als een gevolg van ADHD.

In feite echter gaat het niet om de vraag wat precies de diagnose is. Sommige particulieren verzekeraars sluiten in hun polissen een persoonlijkheidsstoornis uit. In zo’n geval zou de onderhavige discussie uiteraard grote consequenties hebben. In de huidige zaak echter gaat het erom of er bij betrokkene sprake was van beperkingen ten aanzien van arbeid door ziekte of gebrek in de zin van de WAO, specifiek bezien vanuit de psychiatrie. De begrippen ziekte en gebrek zijn van toepassing op zowel ADHD als op een persoonlijkheidsstoornis. Zowel onder de vlag van de ene als van de andere “diagnose” is dan ook relevant om nadere beperkingen te bezien."

"Samenvattend lijkt het mij een voortgezette discussie over de diagnose niet zinvol. Of betrokkenes klachten nu worden verklaard door een persoonlijkheidsstoornis in combinatie met een extreem temperament of door ADHD, maakt in feite geen verschil. In beide gevallen zijn er beperkingen te duiden op grond van ziekte of gebrek. Op basis van mijn eigen onderzoek heb ik in 2003 vastgesteld dat die beperkingen adequaat zijn geduid met een beperking ten aanzien van conflicthantering en een beperking ten aanzien van conflicterende functie-eisen. De hoofdklachten van onrust en prikkelbaarheid worden daarmee goed ondervangen. De brief van de psychiater Kooy legt een ander accent, maar verstrekt mijns inziens geen wezenlijke nieuwe informatie. Ook uit die brief komen onrust en een verhoogde neiging tot conflicten als hoofdkenmerken naar voren. De stelling van betrokkenes gemachtigde dat het beperkingenpatroon ruimer zou moeten zijn en ook een urenbeperking zou moeten omvatten, wordt mijns inziens, noch door zijn eigen argumentatie noch door de brief van de psychiater Kooy voldoende onderbouwd."

In reactie op het nadere standpunt van Koerselman heeft Kooij in haar brief van 14 februari 2006 het volgende naar voren gebracht.

"De voorliggende vraag nu blijkt niet zo zeer de diagnose die bij patiënt is vastgesteld of zou kunnen worden vastgesteld te zijn, maar de mate van arbeidsongeschiktheid als gevolg van deze aandoeningen. Dit blijft natuurlijk altijd een klinische inschatting, waarover deskundigen van mening kunnen verschillen."

"Echter op basis van de klinische ervaring van ondergetekende is er zelden een patiënt geweest met zo’n ernstige vorm van ADHD, die zijn functioneren zo negatief beïnvloedde. Hierbij moet vooral gedacht worden aan zijn buitengewoon sociaal onaangepaste hyperactiviteit, wat leidt tot zeer luid en druk praten, een onstuitbare woordenvloed, een direct zichtbare en voelbare fysieke onrust, die makkelijk als bedreigend kan worden ervaren door de omgeving, gecombineerd met prikkelbaarheid.

Deze factoren zullen ongetwijfeld verantwoordelijk zijn voor het mislukken van goed functioneren in het arbeidsproces in het verleden. Het is dan ook de verwachting dat dit in de toekomst niet zal veranderen, gezien patiënt niet reageert op de geëigende medicatie voor ADHD. Om die reden zou ik er dan ook voor willen pleiten om patiënt per 27 september 2000 arbeidsongeschikt te verklaren."

De Raad ziet in deze zaak geen aanleiding af te wijken van haar vaste jurisprudentie dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Met name doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde medicus blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft overwogen. De Raad heeft geen aanleiding gevonden de laatste brief van Kooij voor te leggen aan Koerselman, omdat Kooij in deze brief geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht, maar haar inschatting heeft gegeven van de mate waarin appellant beperkingen ondervindt tot het verrichten van arbeid. Zoals Kooij zelf al heeft aangegeven gaat het daarbij om een inschatting, waarover deskundigen van mening kunnen verschillen. De Raad kent aan de inschatting van Kooij minder gewicht toe dan aan de inschatting van Koerselman, omdat Kooij de behandelend psychiater is en haar inschatting dat appellant in het geheel niet is te belasten door geen enkele andere arts die appellant in het kader van de onderhavige beroepszaak heeft gezien wordt onderschreven. De zenuwarts A.J.A. Vandecasteele, die op verzoek van appellant een rapport heeft uitgebracht zag, blijkens zijn rapport van 21 maart 2003, weliswaar verdergaande beperkingen, maar niet zodanig dat appellant tot geen enkele arbeid meer in staat zou zijn.

Voorgaande overwegingen leiden de Raad tot de conclusie dat het Uwv de psychische belastbaarheid van appellant niet heeft overschat.

Voor het aannemen van verdergaande fysieke beperkingen ziet de Raad evenmin aanleiding. De in hoger beroep in geding gebrachte informatie van de behandelend neuroloog Van Woerkom heeft betrekking op onderzoek dat heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2005 en 4 november 2005, derhalve vijf jaar na de datum in geding. Alleen om deze reden kent de Raad aan deze informatie geen gewicht toe.

Concluderend stelt de Raad vast dat bestreden besluit 1 op een juiste medische grondslag berust.

De belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies gaat de belastbaarheid van appellant niet te boven. Het mediaanloon van deze functies, afgezet tegen het maatmaninkomen, leidt tot een verlies aan verdiencapaciteit van 48%, zodat de Raad de vraag of bestreden besluit 1 in rechte stand kan houden positief beantwoordt.

Vervolgens dient de Raad nog te beoordelen of het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voorzover die ziet op de ongegrondverklaring van het beroep tegen het ZW-besluit, kan slagen. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend, waarbij de Raad zich volledig kan verenigen met de overwegingen van de rechtbank op dit punt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.449,- .

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voorzover dit ziet op de ongegrondverklaring van het beroep tegen het WAO-besluit;

Verklaart het beroep voorzover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 25 juni 2004 ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.449,- , te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 114,23,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.