Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW1952

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
04/6822 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding ten gevolge van een dienstongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/131

Uitspraak

04/6822 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 november 2004, 04/328 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Zuid (hierna: Korpsbeheerder),

Datum uitspraak: 6 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.F.M. Linders, advocaat te Valkenburg aan de Geul, hoger beroep ingesteld.

De Korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Linders. De Korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.H. Jansen, advocaat te Nijmegen. Op verzoek van de Korpsbeheerder is ter zitting verschenen en als getuige gehoord B.J. Koetsier, wonende te Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, destijds werkzaam als medewerker basispolitiezorg, heeft op 27 oktober 1999 deelgenomen aan de verplichte periodieke integrale beroepsvaardigheidstraining (cursus scherpschieten) in het Politie Opleidingscentrum te Heerlen. Bij de schietoefening heeft appellant het vuurwapen, een Walther P5, leeggeschoten, hetgeen vervolgens door de instructeur Koetsier is gecontroleerd. Daarna is appellant tezamen met zijn medecursisten bij de laadtafel zijn twee patroonhouders met patronen gaan vullen. Beide patroonhouders hadden vervolgens in de broekzak gestoken moeten worden, zodat het wapen daarmee na afloop van de cursus bij hervatting van de dagelijkse werkzaamheden kon worden geladen. Appellant heeft daarentegen zijn wapen geladen. Nadat Koetsier daarvoor opdracht had gegeven, is appellant met zijn medecursisten naar de onderhouds-kamer gegaan om zijn wapen uit elkaar te halen en schoon te maken. Omdat appellant er, nu dit geladen was, niet in slaagde zijn wapen uit elkaar te halen, heeft hij enkele malen de loop van zijn vuurwapen op de tafel geduwd en heeft hij vervolgens gekeken waarom het wapen niet uit elkaar ging. Daarbij is een schot afgegaan en is appellant in zijn linkerhand getroffen.

1.2. De Korpsbeheerder heeft dit ongeval aangemerkt als een dienstongeval in de zin van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp). Aan appellant is in dit verband in totaal € 38.7717,37 uitbetaald.

1.3. Bij brief van 22 april 2003 heeft appellant de Korpsbeheerder verzocht hem alle nog niet vergoede schade die hij heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het dienstongeval in oktober 1999 te vergoeden.

1.4. Bij besluit van 16 september 2003 heeft de Korpsbeheerder dit verzoek afgewezen. De Korpsbeheerder heeft het verzoek getoetst aan de norm, neergelegd in de uitspraak van de Raad van 22 juni 2000, LJN AB0072, TAR 2000,112. Naar de mening van de Korpsbeheerder is hij niet tekortgeschoten in het nakomen van zijn zorgverplichtingen volgens deze norm.

Bij het bestreden besluit van 26 januari 2004 heeft de Korpsbeheerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 september 2003 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de Korpsbeheerder in gebreke is gebleven maatregelen te treffen waarmee voorkomen kon worden dat na afloop van de schietoefening zonder opdracht gedachteloos het vuurwapen opnieuw wordt geladen. Meer in het bijzonder zou een incident als het onderhavige zich niet hebben voorgedaan indien de instructeur bij de laadtafel erop had toegezien dat beide gevulde patroonhouders in de broekzak werden gestoken en niet in het wapen.

3.2. De Korpsbeheerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Het bestreden besluit betreft de handhaving van een zuiver schadebesluit aangaande de schade die door appellant beweerdelijk wegens schending van de zorgplicht door de Korpsbeheerder in de uitoefening van zijn dienstbetrekking is geleden. Dienaangaande hanteert de Raad de norm, als bedoeld in 1.4.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Korpsbeheerder genoegzaam heeft aangetoond dat hij niet te kort is geschoten in het nakomen van zijn zorgplicht. De Raad stelt daarbij voorop dat de zorgplicht van de Korpsbeheerder niet strekt tot het op voorhand uitbannen van ieder denkbaar risico.

4.2.1. De Korpsbeheerder heeft naar voren gebracht dat appellant alvorens hij destijds de beschikking heeft gekregen over het vuurwapen, de Walther P5, een opleiding heeft moeten volgen en de daarbij behorende toets met goed gevolg heeft moeten afleggen. Appellant heeft daarin moeten aantonen over voldoende kennis en vaardigheden te beschikken met betrekking tot het gebruik van en de veiligheidsmaatregelen omtrent dat wapen. Bij de uitreiking van het vuurwapen heeft appellant voorts een instructieboekje ontvangen waarin een aantal veiligheidsmaatregelen is opgenomen. Zo is daarin onder andere voorgeschreven een ongeladen wapen steeds te bewaren en te behandelen alsof het geladen is, het wapen altijd zo te houden dat de gebruiker van het wapen en anderen geen gevaar lopen en bij het uiteennemen van het wapen nooit geweld te gebruiken.

Verder heeft appellant in mei 1998 deelgenomen aan een training waarbij specifiek aandacht is besteed aan wapenleer en in het bijzonder de veiligheidsmaatregelen. Ook op de dag van het ongeval heeft appellant theorielessen gevolgd, waarin wederom het veilig omgaan met zijn vuurwapen, aan de orde is gekomen. Van meet af aan is appellant geleerd dat de patroonhouder uit het wapen moet worden gehaald alvorens het wapen uit elkaar gehaald kan worden om te worden schoongemaakt.

4.2.2. Voorts heeft de Korpsbeheerder aangevoerd dat op de schietbaan waar de schietoefening op 27 oktober 1999 heeft plaatsgevonden een bord aan de muur hangt waarop gedragsregels voor de schietbaan staan vermeld, zoals onder andere: ”ga er altijd vanuit dat het pistool geladen is, denk aan de grootste veiligheid: nooit op iemand richten en vinger langs de slede c.q. beugelkrop, manipuleer nooit met het pistool, na de inspectie blijft de houder uit het pistool, alleen op het schietpunt wordt onder commando de houder aangebracht, houdt u voor, tijdens en na het schieten aan de commando’s en aanwijzingen van de vuurwapendocent”.

4.2.3. Verder heeft de Korpsbeheerder erop gewezen dat in de onderhoudskamer waar het ongeval heeft plaatsgevonden boven de ontlaadbak een kleurenposter met foto’s aan de muur hangt waarop eveneens een aantal veiligheidsvoorschriften staat vermeld. Volgens die poster mag er nooit enige handeling met een pistool worden verricht alvorens door toepassing van de voorgeschreven veiligheidsvoorschriften is gecontroleerd dat het pistool is ontladen en worden de veiligheidsmaatregelen uitgevoerd met de loop van het pistool in veilige richting en met de wijsvinger gestrekt langs de beugelkrop.

4.3. Appellant heeft niet ontkend van deze maatregelen op de hoogte te zijn geweest.

4.4. De Raad vindt niet dat de Korpsbeheerder, naast het voorzien in de noodzakelijk trainingen en opleidingen en het treffen van voormelde veiligheidsmaatregelen, een maatregel had moeten treffen waardoor voorkomen wordt dat een ervaren politieambtenaar na een schietoefening gedachteloos zonder opdracht zijn wapen opnieuw gaat laden en vervolgens, zonder er bij stil te staan dat het wapen geladen is, gaat trachten het wapen uit elkaar te halen om het schoon te maken. Van een politieambtenaar mag worden verwacht niet gedachteloos met een vuurwapen om te gaan, juist vanwege het grote gevaar dat daarin schuilt. Voorzover appellant meende dat hij op 27 oktober 1999 wegens slaapgebrek en een grieperig gevoel niet in staat was zijn gedachten bij de training te houden, had hij zich ziek moeten melden. Dat heeft hij niet gedaan.

Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat een politieambtenaar als appellant die in het bezit is van een vuurwapen, geregeld zijn wapen voor het dagelijks gebruik moet ontladen, uit elkaar moet halen en schoonmaken, zonder dat daarop toezicht wordt gehouden. Appellant was daartoe opgeleid en getraind en kon dus in staat worden geacht dit ook op 27 oktober 1999 zelfstandig te doen.

5. Gezien het vorenstaande treft het hoger beroep van appellant geen doel en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

De uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en

A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

RW