Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW1840

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2006
Datum publicatie
13-04-2006
Zaaknummer
04/4460 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indirecte discriminatie; garantie vóór-HOS-sers, oordeel CGB; duuraanspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4460 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 2004, nr. AWB 03/1528 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop door appellante is gereageerd. Nadien heeft appellante nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 februari 2006, waar appellante in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Siem en H.T. Huisman, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. MOTIVERING

1.1. Appellante, geboren in 1949, was vanaf 1970 werkzaam in het basisonderwijs. Na de geboorte van haar eerste kind in 1974 heeft appellante ontslag genomen. Nadien is appellante vanaf 1978 weer in deeltijd werkzaam geweest, nu in het voortgezet onderwijs. In 1980 is appellante een studie aangevangen en heeft zij wederom ontslag genomen. Op 1 april 1985 trad de herziening onderwijssalarisstructuur (HOS) in werking, waarbij de tot dan toe geldende beloningsstructuur op basis van aktenbezit en leeftijd werd vervangen door een salarissysteem waarin de functie waarin de betrokkene is benoemd, in combinatie met (relevante) ervaring en anciënniteit de basis voor inschaling vormden.

Daarbij werd een garantieregeling getroffen voor leerkrachten die op die datum al in het onderwijs werkzaam waren en tenminste 35 jaar oud waren. Zij behielden uitzicht op het salaris dat zij bij ongewijzigde regelgeving 15 jaar na 1 april 1985 zouden hebben ontvangen (garantie vóór-HOS-sers). Na het behalen van haar doctoraalexamen maatschappijgeschiedenis waarmee zij een eerstegraadsbevoegdheid verkreeg is appellante per 3 september 1985 als leerkracht bij gedaagde in dienst getreden. Zij is daarbij overeenkomstig de nieuwe salarisstructuur ingeschaald in salarisschaal 7, salarisnummer 9. Daartegen heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. In 1987 heeft appellante verzocht haar in aanmerking te brengen voor één extra periodiek overeenkomstig de regeling “zittende studerenden” van 16 mei 1986, welke regeling het HOS-overgangsrecht uitbreidde voor een aantal categorieën leerkrachten die op 31 maart 1985 nog studeerden voor een akte, diploma of getuigschrift op grond waarvan zij krachtens de op 31 maart 1985 geldende regeling een salariëring volgens een hogere schaal zouden hebben verkregen na het behalen van hun diploma. Appellantes verzoek is afgewezen omdat appellante niet aan de voorwaarde voldeed dat zij op

31 maart 1985 in het onderwijs werkzaam was, anders gezegd, appellante was niet “zittend”. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. In 1991 heeft appellante verzocht haar een compensatie toe te kennen overeenkomstig de regeling “verhoging aanvangssalarissen I-R functies”. Dit verzoek is afgewezen omdat appellante niet aan de voorwaarde voldeed bij indiensttreding ingeschaald te zijn op het minimumniveau van schaal 7, salarisnummer 0. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend. De Regeling Toeslag Begininkomens uit 1994 was op appellante voorts niet van toepassing, omdat zij destijds was ingeschaald in schaal 8, salarisnummer 8, welk salarisnummer viel boven de inkomensgrens van de groep die voor compensatie in aanmerking kwam.

1.4. In 2000 heeft appellante verzocht haar vanaf 3 september 1985 juist in te schalen. Hierop heeft gedaagde toegegeven dat appellante in 1985 één salarisnummer te laag is ingeschaald en haar ondanks de verjaring van die aanspraak uit coulance gecompenseerd,

door toekenning van een bedrag van f. 5.233,06, waarbij vanaf 1995 het juiste salarisnummer in aanmerking is genomen. Voor verder teruggaan ziet gedaagde geen aanleiding nu appellante niet eerder is opgekomen tegen haar inschaling.

1.5. Op 13 december 2001 heeft de Commissie gelijke behandeling (CGB) op verzoek van appellante als haar oordeel uitgesproken (nr. 2001-126) dat door toepassing van de garantie vóór-HOS-sers, waardoor appellante lager wordt beloond dan leerkrachten die vóór de herziening van de salarisstructuur reeds in het onderwijs werkzaam waren, jegens appellante een niet objectief gerechtvaardigd indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt. Ten aanzien van de regeling “zittende studerenden 1986” heeft de CGB een dergelijk oordeel niet uitgesproken en evenmin ten aanzien van de salarismaatregelen getroffen voor de zogenoemde na-HOS-sers.

1.6. Appellante heeft op 5 januari 2002 gedaagde verzocht haar salaris te compenseren met inachtneming van het oordeel van de CGB. Op dit verzoek is bij besluit van 11 april 2002 afwijzend beslist, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 25 april 2003.

2. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Vooraf

3.1. Voorzover appellante in hoger beroep haar grief heeft herhaald dat over het in 1.4. genoemde bedrag wettelijke rente en een boeterente dient te worden uitbetaald, merkt de Raad op dat het bestreden besluit daarop geen betrekking heeft, nu appellante niet eerder dan bij haar beroep in eerste aanleg een verzoek om rentebetaling heeft gedaan. De grief valt daarom buiten de omvang van het geding. De Raad zal daarover dus geen oordeel uitspreken en volstaan met de vermelding dat namens gedaagde ter zitting is verklaard dat alsnog zal worden zorggedragen voor nabetaling van - uitsluitend - wettelijke rente over het genoemde bedrag.

3.2. Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak een groot aantal grieven naar voren gebracht. De Raad merkt dienaangaande op dat, zoals hij in zijn uitspraak van 7 april 1998, LJN ZB7563, AB 1999, 32, heeft overwogen, uit artikel 8:69 en uit artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet voortvloeit dat de rechtbank in haar uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. De Raad voegt daaraan toe dat dit ook geldt voor zijn eigen uitspraak.

4. Standpunten partijen

4.1. Appellante meent dat zij als herintreedster ongelijk is behandeld doordat op haar niet de garantie vóór-HOS-sers van toepassing is geacht. Appellante was op 1 april 1985 immers niet werkzaam in het onderwijs omdat zij - naast haar studie - de zorg voor jonge kinderen had. Subsidiair meent appellante dat, zo zij niet als vóór-HOS-sers kan worden behandeld, zij dan tenminste dezelfde voordelen als de na-HOS-sers behoort te krijgen. De juridische kern van appellantes grieven wordt gevormd door de stelling dat het bestreden besluit in strijd is met diverse nationale en internationale regelingen die discriminatie naar geslacht verbieden. Daartoe heeft zij gewezen op het in 1.5. genoemde oordeel van de CGB, welk oordeel zij overigens op het gebied van de regeling “zittende studerenden” en de salarismaatregelen voor na-HOS-sers onjuist acht.

4.2. Gedaagde heeft het verzoek van appellante blijkens het bestreden besluit aangemerkt als een verzoek om terug te komen van eerdere, rechtens onaantastbare besluiten met betrekking tot haar inschaling. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze Raad van 22 november 2001, LJN AD8046, TAR 2002, 39, heeft gedaagde overwogen dat het oordeel van de CGB niet als een nieuwe omstandigheid kan worden gezien, die het bestuursorgaan noopt om terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden besluiten, zodat naar de eerdere besluitvorming kan worden verwezen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Gelet op het vorenstaande was gedaagde, voorzover appellantes verzoek betrekking had op haar inschaling in het verleden, bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar de eerdere besluitvorming. Met gedaagde moet immers worden vast- gesteld dat het oordeel van de CGB niet als nieuw feit kan worden aangemerkt. In hetgeen appellante heeft gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die in artikel 4:6 van de Awb gegeven bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Appellantes stelling dat haar destijds niet bekend was dat de mogelijkheid bestond om tegen salarisbesluiten als hier aan de orde in beroep te gaan, kan daaraan niet afdoen. Evenmin kan een beroep op het Emmott-arrest van het EG-hof van 25 juli 1991 appellante baten. Naar de Raad reeds eerder heeft overwogen - zie onder meer de uitspraak van deze Raad van 24 december 1996, LJN ZB6942, AB 1997, 243 en RSV 1997/98 - acht de Raad de overwegingen van het Emmott-arrest exclusief gebonden aan de rechtsgang binnen het kader van de bijzondere - supranationale - rechtsgemeenschap van de EG.

5.2. De Raad kan er echter niet aan voorbijzien dat appellante niet alleen een salariscompensatie beoogde voor het verleden, maar ook in de toekomst - de periode vanaf 5 januari 2002, datum verzoek - gecompenseerd wenst te worden. Derhalve is een duuraanspraak in geding, waarbij het aangewezen is bij de toetsing een onderscheid te maken naar het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, LJN AB0250, TAR 2001, 43). Wat betreft het verleden geldt de toetsing zoals uitgevoerd in 5.1. en wat betreft de toekomst zal het in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Derhalve moet eerst de vraag worden beantwoord of appellante ten onrechte een te lage aanspraak is toegekend.

5.3. Appellante heeft blijkens de stukken per 1 augustus 2001 het maximum van haar salarisschaal bereikt (schaal LB = 10, salarisnummer 22). Inwilliging van haar claims met betrekking tot de regeling zittende studerenden en de compensatiemaatregelen voor na-HOS-sers zou betekenen dat zij dat maximum enige jaren eerder had bereikt en heeft dus betrekking op de periode voorafgaand aan haar verzoek, maar kan nimmer leiden tot een hoger salaris voor de periode na 5 januari 2002. Om die reden behoeven deze claims niet in de beoordeling van het verzoek gericht op de toekomst te worden betrokken.

5.4. Zou appellante vanaf haar aanstelling in september 1985 als vóór-HOS-sers zijn behandeld, dan zou zij naar haar mening als gevolg van de garantieregeling op enig moment na 2000 in een hogere schaal zijn terechtgekomen, hetgeen haar financiële situatie aanmerkelijk zou verbeteren.

De Raad stelt dienaangaande vast dat de vóór-HOS-sers garantie inhield dat docenten die op basis van op 1 april 1985 bestaande bevoegdheden uitzicht hadden op een hoger salaris dan het maximum van hun functionele nieuwe salarisschaal, uitzicht behielden op het salaris dat zij 15 jaar na invoering van de herstructurering zouden hebben ontvangen. Door die garantie werd het mogelijk dat docenten die naar de per 1 april 1985 van kracht geworden nieuwe regels een schaal 10 functie vervulden, op enig moment naar een hogere schaal werden beloond. Aan appellante is namens gedaagde tegengeworpen dat zij na 1 april 1985 in dienst is gekomen en voorts niet als herintreedster valt aan te merken, omdat zij haar werk in het onderwijs had onderbroken om een studie te volgen en niet (enkel en alleen) vanwege de zorg voor kinderen. Wat hier van zij, de Raad moet constateren dat óók indien appellante op 31 maart 1985 in dienst van gedaagde was geweest, zij niet onder de hiervoor omschreven garantie zou vallen, omdat zij op dat moment nog niet in het bezit was van haar diploma en de daaruit voortvloeiende eerste- graadsbevoegdheid die uitzicht gaf op salariëring volgens schaal 11 en 12. Ten tijde van de inwerkingtreding van de HOS-nota had appellante dus geen uitzicht op een hoger salaris dan het thans voor haar geldende maximum van schaal 10. Hieruit leidt de Raad af dat zelfs indien het oordeel van de CGB zou worden gevolgd en daaraan de conclusie zou zijn verbonden dat de vóór-HOS-sers garantie op appellante moet worden toegepast, dit niet zou kunnen leiden tot een hogere eindschaal dan die welke zij in 2001 daadwerkelijk heeft bereikt.

5.5. In verband hiermee kan de Raad in het midden laten of het niet toepassen op appellante van die garantie in strijd komt met nationale en internationale bepalingen aangaande de (in)directe discriminatie naar geslacht. De afwijzing van het verzoek van appellante kan gelet op het vorenstaande ook voor de toekomst de in aanmerking te nemen toetsing doorstaan. Dit betekent dat het bestreden besluit stand houdt, evenals de aangevallen uitspraak.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten. Nu het beroep niet slaagt, bestaat evenmin grond voor inwilliging van het verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.

Q.