Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW1618

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
04/2035 WAO + 04/2371 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Ingangsdatum. Onzorgvuldige besluitvorming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/2035 WAO + 04/2371 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] h.o.d.n. [bedrijfsnaam], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 maart 2004, 03/425 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 11 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft [naam werkneemster] (hierna: werkneemster) schriftelijk medegedeeld niet als partij aan het geding te willen deelnemen. Voorts heeft zij daarbij geen toestemming gegeven om haar medische gegevens aan appellant ter kennis te brengen.

Gedaagde heeft bij brief van 29 april 2004 een nieuw besluit op bezwaar van 29 april 2004 ingestuurd en op 24 mei 2004 een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft op 7 april 2005 een rapport, met bijlagen, van zijn medisch adviseur van 31 januari 2005 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2006. Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich – met kennisgeving – niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Werkneemster was werkzaam als verkoopster bij appellant toen zij zich op 10 juni 1997 ziek meldde met rugklachten en klachten in verband met suikerziekte.

De verzekeringsarts Y. Margry heeft werkneemster op 10 februari 1998 onderzocht en in zijn rapport van dezelfde datum vermeld dat werkneemster op 24 oktober 1997 was bevallen en – na een aanvankelijk goed verlopen kraambed – op

26 november 1997 decompenseerde met huilbuien en angsten. Margry noteerde voorts dat er bij zijn onderzoek sprake was van enige verbetering, dat er meer goede dagen waren, dat werkneemster de verzorging van haar dochter weer aankon en dat op dat moment problemen met de werkgever een duidelijke rol speelde. Margry nam bij zijn onderzoek een vlot gesprekscontakt waar, alsmede voorts een wat vlakke stemming en onderdrukt lijkende emoties. Als diagnose stelde Margry een post natale depressie.

Volgens Margry was werkneemster nog arbeidsongeschikt als gevolg van zwangerschap en viel arbeidsongeschiktheid per het einde van de wachttijd nog niet te boordelen. Margry onderzocht werkneemster andermaal op 30 maart 1998. Blijkens het rapport van dit onderzoek van 6 april 1998 ging het wel wat beter met werkneemster.

Volgens Margry waren de klachten als gevolg van de zwangerschap verdwenen en leken de psychische klachten hem toch meer van algemene aard en niet ontstaan door zwangerschap en bevalling. Margry achtte werkneemster bij het einde van de wachttijd nog volledig arbeidsongeschikt en een medisch heronderzoek in september 1997 (lees: 1998) aangewezen. Vervolgens verstrekte het Uwv werkneemster met ingang van 9 juni 1998 een voorschot op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Blijkens het rapport van de verzekeringsarts S. Oosterhout van 9 augustus 2000 vond op die dag een herbeoordeling plaats, waarbij werkneemster zweetaanvallen en angsten, alsmede éénmaal per week alcoholmisbruik meldde. Volgens werkneemster ging het wel iets beter, was er minder alcoholgebruik en kon werkneemster haar eigen huishouding doen. Als diagnose stelde Oosterhout een angststoornis en zij achtte werkneemster met onder andere een aantal psychische beperkingen als neergelegd in het FIS-formulier van 9 augustus 2000 geschikt voor thuiswerk voor 10 uur per week. Daarna kende het Uwv bij besluit van 19 februari 2002 aan werkneemster, in aansluiting op het doorlopen van de wettelijke wachttijd, met ingang van 9 juni 1998 een WAO-uitkering toe, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100%.

Naar aanleiding van het namens appellant tegen het besluit van 19 februari 2000 gemaakte bezwaar, waarbij de medisch adviseur van de toenmalige gemachtigde zich afvroeg of bij het diverse verzekeringsgeneeskundig onderzoek wel informatie was ingewonnen bij de behandelend sector van werkneemster, heeft de bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben op

11 december 2002 op basis van dossierstudie gerapporteerd. Sijben merkte op dat werkneemster voor het einde van de wachttijd tweemaal door Margry is gezien en hij nam aan dat, hoewel toen het dagelijks en sociaal functioneren van werkneemster niet expliciet is besproken, dit toen toch flink beperkt moet zijn geweest door de toen aanwezige psychische beperkingen.

Volgens Sijben kon hij nu niet onderbouwen dat werkneemster bij het einde van de wachttijd niet volledig arbeidsongeschikt zou zijn geweest. Vervolgens verklaarde gedaagde bij zijn besluit van 7 januari 2003 (hierna: besluit 1) het bezwaar van appellant ongegrond.

Bij de aangevallen uitspraak verklaarde de rechtbank het beroep van appellant tegen besluit 1 ongegrond.

In hoger beroep heeft gedaagde zijn besluit op bezwaar van 29 april 2004 (hierna: besluit 2) overgelegd. Hierin is overwogen dat gedaagde de ingangsdatum van de WAO-uitkering van werkneemster niet juist heeft vastgesteld omdat geen rekening is gehouden met haar zwangerschaps- en bevallingsverlof. Gedaagde verklaarde bij besluit 2 het bezwaar van appellant gegrond voorzover het de ingangsdatum van de WAO-uitkering betreft en bepaalde – onder vaststelling dat besluit 2 in plaats komt van het primaire besluit van 19 februari 2002 en besluit 1 – deze op 2 oktober 1998.

Uit besluit 2, waarbij gedaagde op basis van dezelfde medische grondslag aan werkneemster een volledige WAO-uitkering met ingang van 2 oktober 1998 heeft toegekend, leidt de Raad af dat gedaagde besluit 1 heeft ingetrokken. Nu besluit 2 niet geheel tegemoet komt aan het beroep van appellant tegen besluit 1, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt in het licht van vaste rechtspraak van de Raad dat het belang van appellant bij een beoordeling van de rechtmatigheid van besluit 1 in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van schadevergoeding. Van dat laatste is in dit geval geen sprake.

In verband hiermede dient het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard en zullen de grieven van appellant worden beoordeeld in het licht van besluit 2.

Ten aanzien van de houdbaarheid in rechte van besluit 2 overweegt de Raad als volgt.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant aangegeven waarom naar zijn mening, mede gelet op de standaard “Geen duurzaam benutbare mogelijkheden” en in aanmerking genomen hetgeen in de rapporten van Margry is opgemerkt omtrent het functioneren van werkneemster, niet kan worden gesteld dat in dit geval sprake was van onvermogen tot persoonlijk of sociaal functioneren. Voorts heeft de gemachtigde een rapport van zijn medisch adviseur van 31 januari 2005 overgelegd waarom, naar het oordeel van die adviseur, het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in dit geding tekort heeft geschoten.

Met gedaagde en appellant stelt ook de Raad vast dat bij het onderzoek van Margry niet, althans niet uitdrukkelijk, is geconcludeerd tot volledige arbeidsongeschiktheid bij het einde van de wachttijd aan de hand van de criteria van de Standaard “geen benutbare mogelijkheden”, welke door de rechtsvoorganger van gedaagde bij besluit van

2 april 1997 (Stcrt. 1997,74) zijn gehandhaafd en thans zijn opgenomen in artikel 2, vijfde lid, van het op 26 juli 2000 in werking getreden Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Dat daags na het bereiken van het einde van de wachttijd geen sprake was van duurzaam benutbare mogelijkheden, heeft de Raad ook overigens niet kunnen afleiden uit met name de bevindingen van Margry, zoals weergegeven in het rapport van 6 april 1998. Dit klemt te meer, nu bij besluit 2 de ingangsdatum van de WAO-uitkering is verschoven van 9 juni 1998 naar 2 oktober 1998 en het door Margry geplande medisch heronderzoek in september 1998 toen niet heeft plaatsgehad. Voorts kan naar het oordeel van de Raad met de in de bezwaarprocedure door Sijben, die werkneemster niet zelf heeft onderzocht, gegeven en hiervoor in essentie weergegeven argumentatie niet worden onderbouwd dat op 2 oktober 1998 ten aanzien van werkneemster geen sprake was van duurzaam benutbare mogelijkheden.

Onderbouwing daarvoor kan naar het oordeel van de Raad ook niet worden ontleend aan het rapport van Oosterhout. Wat betreft de beoordeling van de mogelijkheden van werkneemster op 2 oktober 1998 kan er ook niet worden voorbij gezien dat door Margry en Sijben geen informatie is ingewonnen bij de behandelend sector van werkneemster.

De Raad is al met al van oordeel dat besluit 2 onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het mede tegen besluit 2 gericht geachte beroep van appellant dient dan ook gegrond te worden verklaard en besluit 2 dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Awb. Gedaagde dient voorts een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de deze uitspraak van de Raad.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal

€ 1.288,-. Met betrekking tot de vordering van de kosten van het aan de gemachtigde van appellant uitgebrachte rapport van zijn medisch adviseur, de verzekeringsarts L.T. van der Zwaag, is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt deze adviseur bij een bestede tijd van 6 uur, zoals in het ter zitting overgelegde proceskostenformulier is aangegeven, een forfaitaire vergoeding toe van € 487,38. Dit is gebaseerd op het voor een dergelijk rapport in artikel 3, eerste lid onder a, van de Wet tarieven in strafzaken van toepassing verklaarde Besluit tarieven in strafzaken vastgestelde maximale uurtarief van

€ 81,23 .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep, voorzover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2, gegrond en vernietigt besluit 2;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar van appellant neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.775,38, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.