Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AW1563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
04/771 WAO; 04/772 WAO; 06/225 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging loondoorbetalingsverplichting werkgever wegens niet tijdige aangifte zieke werknemer en terugvordering.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43, geldigheid: 2006-04-11
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57, geldigheid: 2006-04-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/771 WAO; 04/772 WAO; 06/225 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2003, 03/698 en 03/1840 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 11 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 27 januari 2003 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv ongegrond verklaard het namens appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2002, waarbij het Uwv aan appellant met ingang van 18 februari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25% tot 35%.

Bij besluit van 27 mei 2003 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv ongegrond verklaard het namens appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2003 waarbij het Uwv over de periode van 18 februari 2002 tot 1 januari 2003 van appellant heeft teruggevorderd een bedrag van € 12.752,68 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.

De rechtbank Rotterdam heeft de namens appellant tegen de besluiten 1 en 2 ingestelde beroepen bij afzonderlijke uitspraken van 23 december 2003, nr. WAO 03/698-NIFT (hierna: uitspraak I) en nr. WAO 03/1840-NIFT (hierna: uitspraak II) ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullende beroepschriften aangegeven gronden afzonderlijk hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken I en II.

Het Uwv heeft ter zake van het hoger beroep tegen uitspraak I een verweerschrift gedateerd 27 augustus 2004, en ter zake van het hoger beroep tegen uitspraak II een verweerschrift gedateerd 27 mei 2004, ingediend.

Bij brief van 26 april 2005 heeft de Raad het Uwv verzocht om aan te geven of zijn uitspraken van 9 november 2004,

(LJN AR4716, AR 4717, AR 4718, AR4719, AR4721 en AR4722) het Uwv aanleiding geven om in de onderhavige zaak nog een nadere aanvulling en/of motivering op besluit 1 in te sturen.

Bij brief van 11 januari 2006 heeft het Uwv op de hiervoor genoemde brief van de Raad gereageerd en een nadere rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.W. van Zijl van 9 januari 2006 ingezonden alsmede een gewijzigde beslissing op bezwaar gedateerd 11 januari 2006 (hierna: besluit 3), waarbij het bezwaar tegen besluit 1 (alsnog) gegrond is verklaard en de beslissing van 15 augustus 2002 niet is gehandhaafd voorzover daarbij de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 18 februari 2002 is vastgesteld op 25% tot 35%. In plaats daarvan heeft het Uwv besloten de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum vast te stellen op 35% tot 45%. Voor het overige is de beslissing van

15 augustus 2002 gehandhaafd.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 24 januari 2006 waar appellant en zijn raadsman niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker, werkzaam bij het Uwv.

II. OVERWEGINGEN

Het beroep tegen de WAO-schatting (uitspraak I, besluit 1).

Appellant die werkzaam was als straler/schilder in de scheepsbouw, is ten gevolge van een hem overkomen bedrijfsongeval in 1997 blind geraakt aan zijn rechteroog. Na een periode van arbeidsongeschiktheid heeft hij in september 1998 zijn werkzaamheden hervat. Op 19 februari 2001 is hem wederom een bedrijfsongeval overkomen waarbij hij zijn rechtervoet heeft gebroken ten gevolge waarvan hij opnieuw is uitgevallen.

In verband met de beslissing hem na ommekomst van de wettelijke wachttijd al dan niet een WAO-uitkering toe te kennen, is appellant onderzocht door de verzekeringsarts V.R. Evegaars. Uit de rapportage van Evegaars van 9 april 2002 komt naar voren dat appellant belastbaar te achten is en geschikt geacht kan worden voor overwegend zittende werkzaamheden met zo nu en dan kortdurend staan en lopen. Ook gelden er enige psychische beperkingen die samenhangen met het verwerken van zijn tweede handicap. Appellant kan na het verlies van zijn gezichtvermogen rechts, nu ook niet meer goed lopen, staan of andere activiteiten uitvoeren waarbij de rechtervoet wordt belast. Hoewel ten tijde van het onderzoek de belastbaarheid- prognose ten aanzien van werkhervatting en aandoening nog onduidelijk was, verwachtte de verzekeringsarts dat de belastbaarheid op langere termijn nog aanzienlijk zou verbeteren, met name omdat hij verwachtte dat het dragen van orthopedisch schoeisel positief zou uitpakken. De verzekeringsarts heeft vervolgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Uit zorgvuldigheidsoogpunt heeft hij nog informatie bij het RIAGG opgevraagd, maar de verkregen informatie heeft niet geleid tot wijziging van de FML.

Aan de hand van de FML heeft de arbeidsdeskundige R.D.G. van Dijk met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) een zestal functies geselecteerd. Na vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste loonwaarde met het voor appellant geldende maatmanloon heeft Van Dijk vastgesteld dat het loonverlies 33,5% bedraagt, hetgeen neerkomt op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 25% tot 35%. Vervolgens heeft het Uwv het in rubriek I vermelde besluit van 15 augustus 2002 genomen.

Naar aanleiding van het namens het Uwv gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg, zoals uit zijn rapportage van 10 januari 2003 blijkt, geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. Wel heeft hij een aanvulling aangebracht op de FML betreffende het (doserend) bedienen van voetpedalen met de rechtervoet, dit achtte hij vanwege appellant’s beperkingen aan zijn rechtervoet niet goed mogelijk.

Deze aanvulling is voor de bezwaararbeidsdeskundige J.W. van Zijl reden geweest de geselecteerde functie confectie, meubel, dekkledennaaister, niet meer geschikt te achten aangezien in deze functie een voetpedaal doserend bediend moet worden. Een hernieuwde berekening van de resterende verdiencapaciteit bracht echter geen wijziging in de mate van arbeidsongeschiktheid en bij besluit 1 is het bezwaar ongegrond verklaard.

In de beroepsprocedure heeft de bezwaararbeidsdeskundige Van Zijl uit zorgvuldigheidsoverwegingen de functies gecontroleerd op actualiteit en geschiktheid. Dit heeft ertoe geleid dat een van de functies diende te vervallen wegens het niet actueel zijn op de datum van de schatting. De arbeidsongeschiktheidsklasse bleef evenwel 25-35% en er was geen reden van arbeidskundige aard om van het primaire besluit af te wijken.

Ter beantwoording van de vraagstelling in de in rubriek I vermelde brief van 26 april 2005 heeft de bezwaararbeids- deskundige J.W. van Zijl het CBBS opnieuw geraadpleegd met behulp van een naar een actuele datum omgezette FML. Uit zijn rapportage van 9 januari 2006 blijkt dat er overleg is geweest met de bezwaarverzekeringsarts over de zogenoemde “niet-matchende” items en de “matchende” items waar het systeem een beperking voor gaf. Bij iedere functie heeft Van Zijl vervolgens per item toegelicht waarom er zijns inziens geen sprake is van een overschrijding van de in de FML opgenomen beperkingen. Tenslotte is hij nagegaan of de geduide functies ook op grond van andere elementen zoals opleiding, actualiteit of anderszins geschikt zijn en is hij tot de conclusie gekomen dat geen van de geduide functies dient te vervallen. Wel is uit het onderzoek naar voren gekomen dat het mediaanloon voor de aan de schatting ten grondslag liggende functies lager bleek dan aanvankelijk was aangenomen. Vergelijking van dit lagere mediaanloon met het maatmanloon leidde tot indeling in de hogere arbeidsongeschiktheidsklasse van 35% tot 45%.

Bij besluit 3 heeft het Uwv besluit 1 gewijzigd zoals in rubriek I vermeld.

Nu met besluit 3 wijziging is gebracht in besluit 1 en dit besluit niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet komt, zal de Raad, op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de onderhavige procedure tevens een oordeel geven over besluit 3. Een en ander brengt met zich dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van uitspraak I en van besluit 1, nu de door appellant daartegen ingebrachte grieven door de Raad in beschouwing kunnen en zullen worden genomen bij de beoordeling van besluit 3. De Raad zal appellants hoger beroep tegen uitspraak I, waarbij het beroep tegen besluit 1 ongegrond is verklaard, dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Appellants grieven zijn uitsluitend gericht tegen de medische grondslag van besluit 3. Hij stelt zich op het standpunt dat hij per 18 februari 2002 volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht omdat er op die datum nog geen sprake was van een medische eindtoestand die de stelling rechtvaardigt of zou kunnen rechtvaardigen dat hij op en na 18 februari 2002 in staat was om aangepast werk te verrichten.

De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling. De omstandigheid dat er op 18 februari 2002 nog geen sprake was van een medische eindtoestand leidt, naar het oordeel van de Raad, niet tot de conclusie dat appellant niet in staat was aangepast werk te verrichten. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het hier toepasselijke Schattingsbesluit Arbeids- ongeschiktheidwetten kan van arbeidsdeskundig onderzoek slechts worden afgezien indien blijkt dat de betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft dan wel dat hij die mogelijkheden wel heeft, maar dat hij die mogelijkheden binnen drie maanden zal verliezen. Voorts is ingevolge het vijfde lid van artikel 2 van benutbare mogelijkheden alleen dan geen sprake indien, kort weergegeven, de betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of andere instelling, hij bedlegerig is of in het dagelijks leven niet zelfredzaam. Uit het onderzoek van de verzekeringsartsen blijkt dat de ernst van appellants beperkingen niet zodanig was dat hij in het geheel niet zelfstandig kon functioneren, zodat aangenomen kon worden dat appellant over benutbare mogelijkheden beschikte. Bovendien heeft de verzekeringsarts Evegaars in zijn rapportage van

9 april 2002 gemotiveerd aangegeven dat hij verwacht dat de belastbaarheid op langere termijn nog aanzienlijk zal verbeteren, hetgeen niet duidt op de verwachting dat appellant zijn benutbare mogelijkheden binnen drie maanden zal verliezen. Ook overigens ziet de Raad geen redenen om het oordeel van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag is de Raad van oordeel dat het Uwv op de hiervoor beschreven wijze het bestreden besluit heeft onderbouwd op een wijze die voldoet aan de eisen zoals die zijn geformuleerd in zijn uitspraken van 9 november 2004. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat besluit 3 in rechte stand houdt en het beroep dat wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit ongegrond dient te worden verklaard.

Het beroep tegen de terugvordering, uitspraak II, besluit 2.

Bij brief van 24 mei 2002 is de (voormalige) werkgever van appellant, De Koninklijke Marine Service b.v., meegedeeld dat de periode van 52 weken waarin hij verplicht is het loon tijdens arbeidsongeschiktheid van de werknemer door te betalen, op grond van artikel 629, eerste lid, tweede volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt verlengd. Deze verlenging vond plaats omdat appellants werkgever in strijd met artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet niet uiterlijk op de eerste dag nadat appellants ongeschiktheid dertien weken heeft geduurd bij het Uwv aangifte daarvan heeft gedaan. Gelet op artikel 7:629 van het BW is de termijn van 52 weken verlengd met de duur dat de aangifte te laat is. Het Uwv had de aangifte uiterlijk op 21 mei 2002 (de Raad begrijpt: 2001) moeten ontvangen, maar ontving de eerste ziekmelding pas op 28 maart 2002. Aan appellant is bij brief van 24 mei 2002 ter informatie een afschrift gezonden van voornoemde brief.

Bij het in rubriek I genoemde besluit van 15 augustus 2002 is appellant bij afzonderlijke beslissing van dezelfde datum meegedeeld dat zijn WAO-uitkering eerst met ingang van 25 juli 2002 aan hem wordt uitbetaald. Het Uwv is daartoe overgegaan omdat de loondoorbetalingsverplichting van appellants werkgever was verlengd en de uitkering op grond van artikel 43d van de WAO niet wordt uitbetaald gedurende het verlengde tijdvak waarin recht bestaat op loondoorbetaling ingevolge 7:629 van het BW.

Uit de stukken blijkt dat aan appellant in de periode van 18 februari 2002 tot 25 juli 2002 voorschotten op zijn WAO-uitkering zijn betaald op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Ook is gebleken dat het Uwv in de periode van 25 juli 2002 tot 1 januari 2003 aan appellant een uitkering heeft betaald op basis van een arbeidsongeschiktheids- percentage van 80-100%.

Bij het in rubriek I vermelde besluit van 12 februari 2003 heeft het Uwv de uitkering die ten onrechte is uitgekeerd, teruggevorderd. Over de periode van 18 februari 2002 tot 25 juli 2002 betrof dat de gehele uitkering en over de periode van

25 juli 2002 tot 1 januari 2003 een gedeelte daarvan.

Bij besluit 2 is het namens appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, waarbij tevens is afgewezen het namens appellant gedane voorstel de loonvordering die hij op zijn werkgever heeft te cederen aan het Uwv, zodat deze vervolgens tot incasso over kan gaan. Het Uwv was van mening dat het recht op loondoorbetaling een zaak is tussen appellant en zijn werkgever waar het Uwv buiten stond en geen partij in was. Derhalve achtte het Uwv het onmogelijk de vordering die vanuit een publiekrechtelijk bepaling was ontstaan te cederen.

De rechtbank heeft het namens appellant ingestelde beroep bij uitspraak II ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep zijn eerder aangevoerde grieven herhaald. Het Uwv heeft niet tijdig aangegeven dat appellant over de periode van 18 februari 2002 tot 25 juli 2002 geen uitkering zou ontvangen en dat hij zich tot zijn werkgever diende te wenden. Zijns inziens is er sprake van een onaanvaardbare consequentie nu appellant alsnog moet zien dat hij – met succes – een loondoorbetalingsprocedure bij zijn werkgever instelt en uiterst twijfelachtig is of hij er in slaagt deze vordering alsnog te incasseren.

Ook voor de periode van 25 juli 2002 tot 1 januari 2003 meent appellant dat hij er van mocht uitgaan dat het Uwv op correcte wijze en conform de toekenningsbeslissing heeft uitbetaald.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat is vast komen te staan dat het Uwv in de genoemde periodes gedeeltelijk onverschuldigd aan appellant WAO-uitkering heeft uitbetaald, zodat hij op grond van het bepaalde in artikel 57 van de WAO verplicht was tot terugvordering over te gaan. Van een dringende reden op grond waarvan het Uwv zou moeten afzien van terugvordering is de Raad niet gebleken. Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen dringende redenen zoals bedoeld in

artikel 57 van de WAO slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor de betrokkene optreden. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat appellant pas in mei 2002 dan wel augustus 2002 op de hoogte is gesteld van de loondoorbetalingsverplichting niet gezien kan worden als een dringende reden in voormelde zin.

Ook het in bezwaar en beroep herhaalde voorstel de loonvordering die appellant op zijn werkgever heeft te cederen aan het Uwv zodat deze vervolgens tot incasso over kan gaan, vormt geen reden om van terugvordering af te zien. Nog afgezien van de vraag of, en zo ja in welke gevallen en onder welke omstandigheden het Uwv zich een vordering tot loondoorbetaling in de zin van artikel 7:629 van het BW kan laten overdragen, is de Raad van oordeel dat een cessie van de vordering als hiervoor bedoeld meer ziet op de invordering van het onverschuldigd uitgekeerde bedrag dan op de terugvordering.

Besluit 2 kan evenwel niet in stand blijven. Nu bij besluit 3 aan appellant een WAO-uitkering is toegekend naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse, valt het bedrag dat onverschuldigd is uitgekeerd lager uit. Het in besluit 2 teruggevorderde bedrag is derhalve niet juist berekend en de Raad zal daarom besluit 2 vernietigen, evenals uitspraak II waarbij dat besluit in stand is gelaten.

De Raad acht tenslotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden wat betreft besluit 1 begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en voor wat betreft besluit 2 begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep tegen uitspraak I niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep dat mede wordt geacht te zijn gericht tegen besluit 3 ongegrond;

Vernietigt uitspraak II;

Verklaart het inleidend beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt besluit 2;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 februari 2003 neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 232,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.