Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV8860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2006
Datum publicatie
06-04-2006
Zaaknummer
03/3666 AAWAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nabetaling verschuldigde achterstallige WAO-uitkering over 1979 tot 1991. Vergoeding vertragingsrente? Oud BW. Wanneer eerste aanmaning?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/3666 AAWAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Turkije) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2003, reg. nr. 02/3245 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV).

Datum uitspraak: 3 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder UWV tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij brief gedateerd 7 maart 2005 heeft

mr. F.H. Barwegen, advocaat te Utrecht, zich als gemachtigde van appellant gesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2006. Appellant is niet verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Vlak vóór het begin van het onderzoek ter zitting is namens de gemachtigde van appellant, mr. Barwegen, verzocht om uitstel van de behandeling van het geding ter zitting, in verband met ziekte. Gezien de aard van de onderhavige zaak en het tijdstip waarop dit verzoek is gedaan, heeft de Raad geen grond gezien om dit verzoek in te willigen.

Appellant, die de Turkse nationaliteit heeft, ontving, na een bedrijfsongeval, sedert

27 oktober 1978 een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vervolgens is hij definitief teruggekeerd naar Turkije. Bij besluit van 6 augustus 1979 is per 1 september 1979 de mate van arbeidsongeschiktheid herzien naar 45 tot 55%. Bij besluit van 11 september 1987 is appellant ongewijzigd 45 tot 55% arbeidsongeschikt bevonden.

Bij besluit van 15 juli 1991 is het UWV teruggekomen van de besluiten van 6 augustus 1979 en 11 september 1987 en is appellant op en na 1 september 1979 doorlopend 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht. Tussen partijen is niet in geschil dat de over de periode van 1 september 1979 tot en met 31 mei 1991 nog verschuldigde, achterstallige, uitkering in 1991 is nabetaald.

Bij brief van 8 augustus 2000 heeft appellant verzocht om vergoeding van vertragingsrente over de nabetaalde uitkering. Bij ongedateerd besluit heeft het UWV dit verzoek afgewezen. Opgemerkt wordt dat op dit verzoek artikel 1286, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (oud) van toepassing is. Volgens deze bepaling is wettelijke rente (eerst) verschuldigd na aanmaning. In casu betekent dat dat wettelijke rente eerst verschuldigd zou kunnen zijn na 8 augustus 2000.

In de bezwaarprocedure is door appellant naar voren gebracht dat hij ongeveer vijf jaar voor het huidige verzoek reeds een verzoek om vergoeding van wettelijke rente heeft gedaan, maar dat hij daarvan geen bewijsstukken meer heeft.

Bij besluit van 5 juli 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant is tegen dit besluit in beroep gekomen.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen (waarbij appellant is aangemerkt als eiser en het UWV als verweerder):

“Allereerst stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat de besluiten van

6 augustus 1979 en 11 september 1987 onrechtmatig zijn. De rechtbank is van oordeel dat de hier in geding zijnde wettelijk rente voortvloeit uit deze onrechtmatige besluiten. Deze besluiten dateren van voor de inwerkingtreding van het NBW op 1 januari 1992. Krachtens artikel 1286, derde lid, van het oud BW, zoals dat tot 1 januari 1992 luidde, dient wettelijke rente te worden berekend vanaf de dag dat zij in rechte wordt gevorderd, tenzij de schuldenaar is aangemaand. Indien niet tegen een bepaalde datum wordt aangemaand is de schuldenaar gehouden tot vergoeding van rente over te gaan nadat een redelijke termijn is verstreken.

De rechtbank stelt vast dat nabetaling van de te weinig ontvangen AAW/WAO-uitkering in 1991 heeft plaatsgevonden, waarbij, zoals door verweerder ter zitting is gemeld, destijds niet de wettelijke rente is vergoed. Niet aannemelijk is geworden dat eiser reeds voor 8 augustus 2000 verweerder heeft aangemaand. Derhalve moet worden vastgesteld dat eiser eerst op 8 augustus 2000 tot vergoeding van wettelijke rente over de te weinig ontvangen AAW/WAO uitkering heeft aangemaand.

Nu echter vaststaat dat nabetaling reeds in 1991 heeft plaatsgevonden, bestond ten tijde van de aanmaning geen vordering meer met betrekking tot de te weinig ontvangen AAW/WAO-uitkering. Gelet op artikel 1286, derde lid, van het oud BW, bestond geen recht op vergoeding van de wettelijke rente.”

In hoger beroep hebben partijen in essentie hun in eerste aanleg aangevoerde standpunten herhaald.

De Raad oordeelt als volgt.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het UWV met recht heeft geweigerd aan appellant de wettelijke rente te vergoeden over de met betrekking tot de periode van 1 september 1979 tot en met 31 mei 1991 nabetaalde arbeidsongeschiktheids-uitkering. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellants stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2006.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) P.H. Broier.

GdJ