Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV8781

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
06-04-2006
Zaaknummer
04/1689 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering omdat betrokkene niet vanwege ziekte of gebrek ongeschikt was voor zijn eigen arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/1689 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 maart 2004, 2003/545 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 4 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2006. Appellant is - met kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.G.E. Houtbeckers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was ongeveer drie jaar werkzaam als voltijds dakdekker toen hij op 7 december 2001 uitviel met wisselende gewrichtsklachten. De verzekeringsarts A. Kraft heeft, in het kader van de beoordeling van de aanspraak van appellant op een WAO-uitkering in aansluiting op het doorlopen van de wettelijke wachttijd, appellant op 17 september 2002 onderzocht en daarvan verslag gedaan in zijn rapport van 18 september 2002. Volgens appellant had hij de laatste twee jaar regelmatig knie- en schouderklachten bij met name zwaar tillen. Deze klachten verminderden bij rust en kwamen weer opzetten bij werkhervatting. Op basis van de anamnese en het lichamelijk onderzoek stelde Kraft vast dat geen sprake was van ziekte of gebreken maar dat appellant vanwege zijn fysieke bouw niet in staat was zijn werk als dakdekker te verrichten. Volgens Kraft dienden zeer zware fysieke belastingen ten aanzien van tillen en dragen alsmede frequent traplopen en ladders beklimmen vermeden te worden. Kraft legde de belastbaarheid van appellant vast in de Functionele Mogelijkhedenlijst van

18 september 2002, waarin hij op het voorblad toelichtte dat appellant tot normaal functioneren in staat was en alleen bij de onderdelen 4.13 (duwen of trekken), 4.14 (tillen of dragen) en 4.16 (frequent zware lasten hanteren tijdens het werk) ter toelichting op de normaalwaarde van telkens ongeveer 15 kg. aantekende: “Max. 25 kg”. Op basis van deze FML en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 21 oktober 2002 selecteerde de arbeidsdeskundige M.J.J. Theunissen blijkens zijn rapport van 6 november 2002 een aantal functies en berekende hij dat geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen. Theunissen stelde voorts vast dat appellant voornamelijk als gevolg van zijn lichaamsbouw ongeschikt was voor zijn eigen functie, waarin regelmatig meer dan 25 kg. moest worden getild en/of gedragen. Vervolgens nam het Uwv de primaire besluiten van 8 onderscheidenlijk 26 november 2002, waarbij appellant niet als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA werd beschouwd respectievelijk met ingang van 6 december 2002 geen WAO-uitkering werd toegekend.

In de bezwaarprocedure is appellant onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts

J.H.M. de Brouwer. Blijkens diens rapport van 25 februari 2003 heeft De Brouwer bij ook door hem verricht lichamelijk onderzoek geen afwijkingen kunnen vaststellen. Wat betreft de gewrichten was sprake van een normale beweeglijkheid en waren er geen tekenen van een actief ontstekingsproces. Een diagnose was, aldus De Brouwer, niet gesteld en er vond geen behandeling plaats. De Brouwer concludeerde dan ook dat geen sprake was van ziekte of gebrek en derhalve ook niet van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Als zijnde niet aan de orde liet De Brouwer ten slotte de bij de beoordeling in de primaire fase van de besluitvorming vermelde constitutionele ongeschiktheid voor het eigen werk buiten beschouwing. Verkregen informatie van de huisarts van 24 maart 2003 en de orthopedisch chirurg van 22 januari 2002, waarin geen sprake was van bijzondere vaststellingen of waarneming van functionele beperkingen, leidden

De Brouwer niet tot een andere conclusie. Vervolgens verklaarde het Uwv bij zijn besluit van 8 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) onder verwijzing naar de bevindingen van De Brouwer de tegen de beide primaire besluiten gemaakte bezwaren ongegrond.

De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond. De rechtbank wees op de bevindingen van De Brouwer en de behandelend sector en onderschreef het standpunt van gedaagde dat appellant met zijn functionele mogelijkheden op de datum in geding weer in staat moest worden geacht tot het verrichten van zijn maatgevende arbeid.

In hoger beroep wees de gemachtigde van appellant op de stukken van de ARBO-dienst van de voormalige werkgever van appellant en stelde hij dat appellant in verband met de volgens de ARBO-dienst te verwachten uitval bij hervatting in de eigen functie arbeidsongeschikt is voor zijn eigen functie.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en overweegt daartoe dat van de zijde van het Uwv ter zitting is toegelicht dat zijn standpunt is dat appellant niet vanwege ziekte of gebrek ongeschikt was voor zijn eigen arbeid. Desgevraagd werd van die zijde nog opgemerkt dat, ofschoon zulks niet duidelijk in de primaire fase van de besluitvorming tot uitdrukking is gebracht, in verband met deze conclusie aan het opstellen van een FML en het op basis daarvan selecteren van functies geen andere betekenis moet worden toegekend dan een ten overvloede gedaan advies aan appellant met het oog op het vinden van voor appellant in verband met zijn lichaamsbouw meer geschikt geachte arbeidsmogelijkheden. De Raad acht deze toelichting, gelet ook op de bevindingen van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, plausibel en aanvaardbaar. De Raad merkt ten slotte op dat de omstandigheid dat appellant door de ARBO-dienst gedurende de wachttijd op grond van de WAO arbeidsongeschikt werd bevonden, niet kan afdoen aan de hiervoor vermelde verzekeringsgeneeskundige conclusies op basis van de voor de toepassing van de WAO geldende criteria.

Uit het voorgaande volgt dat het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in stand kan blijven, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

MR