Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV8549

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2006
Datum publicatie
06-04-2006
Zaaknummer
04/341 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing WAZ-uitkering wegens niet tijdig verstrekken van gegevens omtrent buitenlandse uitkering. Inlichtingenverplichting. Heropening. Belang bij beoordeling schorsingsbesluit?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/341 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (USA) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2003, reg. nr. 02/2705 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV),

Datum uitspraak: 3 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2006. Appellant is niet verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant ontving sedert 1 oktober 1976 een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, welke per

1 januari 1998 is omgezet in een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Sedert 22 juli 1995 ontvangt appellant daarnaast een toeslag op grond van de Toeslagenwet.

Appellant is op 1 juni 2001 op zijn huisadres bezocht door medewerkers van het UWV. Daarbij is gebleken dat appellant naast genoemde uitkeringen een uitkering ontvangt van de ‘Social Security Administration’ (SSA). Bij brief van 23 januari 2002 heeft het UWV aan appellant verzocht de gegevens te verstrekken aangaande de SSA-uitkering over de periode van

1 oktober 1976 tot 1 januari 2000. Appellant wordt erop gewezen dat indien genoemde gegevens niet vóór 1 maart 2002 in bezit van het UWV zijn de uitkering wordt geschorst totdat de gevraagde gegevens wel in het bezit van het UWV zijn. Appellant heeft daarop bij brief gedateerd 7 februari 2002 aan het UWV een machtiging doen toekomen om de gevraagde gegevens bij de SSA op te vragen. Bij brief gedateerd 18 februari 2002 heeft het UWV aan de SSA op basis van deze machtiging om de hiervoor aangegeven gegevens verzocht.

Bij besluit van 20 februari 2002 heeft het UWV appellants WAZ-uitkering met ingang van 1 maart 2002 geschorst. Aan dit besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat appellant bij de brief van 7 februari 2002 niet de bij de brief van 23 januari 2002 gevraagde gegevens heeft overgelegd. Gelet hierop kunnen wij niet vaststellen of nog recht bestaat op een WAZ-uitkering, aldus het UWV.

In bezwaar is door appellant aangevoerd dat hij heeft gedaan wat van hem verlangd kan worden. Bij brief van 26 april 2002 heeft het UWV aan appellant laten weten dat de WAZ-uitkering op 19 maart 2002 met terugwerkende kracht tot 1 maart 2002 is heropend. Op dezelfde datum is de nabetaling groot € 832,59 op appellants rekening gestort.

Bij besluit van 30 mei 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft het UWV het bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard. Het besluit de uitkering per 1 maart 2002 te schorsen rustte op een juiste grondslag, nu de gevraagde informatie niet vóór

1 maart 2002 werd ontvangen.

Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft, onder gegrondverklaring van het beroep, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Overwogen wordt dat door het met terugwerkende kracht tot 1 maart 2002 ongedaan maken van de schorsing appellants belang bij de beslissing op bezwaar is komen te ontvallen. Het UWV is veroordeeld aan appellant het betaalde griffierecht te vergoeden.

Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Het UWV heeft in verweer laten weten zich in de uitspraak van de rechtbank te kunnen vinden.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad zal eerst ingaan op de vraag of de rechtbank met recht heeft geoordeeld dat het UWV het bezwaar, bij gebrek aan belang, niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. In dat verband merkt de Raad primair op dat uit de uitspraak van de rechtbank niet blijkt van enig onderzoek door de rechtbank naar een belang van appellant bij de gegrondverklaring van zijn bezwaar tegen de schorsing.

Hiervan afgezien merkt de Raad op dat, zoals hij reeds vaker heeft overwogen, de beoordeling van een schorsingsbesluit als het onderhavige dient te geschieden aan de hand van de situatie ten tijde van het nemen van dat besluit (zie de uitspraken van 21 januari 2000, RSV 2000/62 en 29 juni 2004, LJN: AP8506). Het oordeel van de rechtbank dat appellant, gezien de inhoud van het schrijven van het UWV van 26 april 2002, bij de beoordeling van zijn bezwaar tegen het schorsingsbesluit geen belang (meer) had, is - in het licht van de hiervoor aangehaalde rechtspraak - rechtens onjuist. De Raad concludeert dat de uitspraak van de rechtbank geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad nagaan of het UWV appellants bezwaar tegen het schorsingsbesluit met recht ongegrond heeft verklaard.

Het UWV heeft aan de schorsingsbeslissing ten gronde gelegd dat appellant niet tijdig de gevraagde inlichtingen heeft verstrekt als bedoeld in artikel 50, tweede lid, onder c, van de WAO. De Raad merkt in dat verband allereerst op dat bij de brief van 23 januari 2002 aan appellant een termijn is gegund tot 1 maart 2002 om de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Op 20 februari 2002, de datum van het schorsingsbesluit, was de gestelde datum nog niet verstreken. Op dat moment kon, naar het oordeel van de Raad, dan ook nog niet geconcludeerd worden dat appellant niet aan zijn verplichtingen had voldaan. Daarmee ontbeert het schorsingsbesluit de aan dit besluit ten gronde gelegde wettelijke grondslag.

Verder stelt de Raad vast dat appellant (ruim) binnen de gestelde termijn heeft gereageerd door het inzenden van een machtiging. Van deze machtiging is door het UWV binnen de gestelde termijn gebruik gemaakt en de verzochte gegevens zijn kort na het einde van die termijn van het SSA ontvangen. Het UWV heeft zich, gezien deze gang van zaken, naar het oordeel van de Raad in redelijkheid niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen dat appellant niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. De Raad voegt hieraan toe dat de reactie van appellant op de brief van het UWV van

23 januari 2002 - te weten de inzending van een machtiging bij de brief van 7 februari 2002 - het UWV in elk geval had moeten nopen - indien men appellant had willen houden aan de verplichting om zelf de verzochte inlichtingen aan te

leveren - om aan appellant een nadere termijn te stellen voor het insturen van de gevraagde gegevens.

De Raad concludeert dat het bezwaar ten onrechte ongegrond is verklaard. Gezien de aard van het primaire besluit acht de Raad het aangewezen ook dit besluit, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, te vernietigen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 20 februari 2002;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht ad € 87,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2006.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) P.H. Broier.