Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV8525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
04/ 6649 NABW + 04/6651 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiteninvorderingstelling. Hennepkwekerij. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Terugkomen van een eerder (begunstigend) besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/ 6649 NABW

04/6651 NABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 november 2004, 04/172 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: College).

Datum uitspraak: 4 april 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 14 maart 2006, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 28 november 2002 heeft het College wegens bijzondere omstandigheden het restant van een fraudevordering op appellanten voorwaardelijk buiten invordering gesteld. Daarbij is bepaald dat appellanten van de restvordering van € 43.252,14 een bedrag van € 6.806,70 ineens dienden te betalen aan de Dienst samenleving en economie van de gemeente Helmond en dat de lopende bijstandsuitkering zal worden beëindigd zodra de start als zelfstandige een feit is. Met ingang van 1 februari 2003 is de bijstandsuitkering van appellanten beëindigd en op 26 mei 2003 is door appellanten het bedrag van € 6.806,70 voldaan.

Op 16 december 2002 is door de politie Brabant zuid-oost een inval gedaan op het woonadres van appellanten. Daarbij is in de woning en in de loods/garage achter de woning van appellanten naast apparatuur voor een hennepkwekerij een aantal hennepknippers in werkkleding aangetroffen. Tevens stond op de binnenplaats een bestelbus van appellanten geparkeerd met daarin een aantal tonnen met hennepafval. Een en ander heeft onder meer aanleiding gevormd het recht op bijstand van appellanten over de periode van 21 oktober 2002 tot en met 16 december 2002 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van hen terug te vorderen.

Bij besluit van 21 juli 2003 heeft het College de buiteninvorderingstelling ongedaan gemaakt op de grond dat appellanten onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Bij besluit van 17 december 2003 heeft het College de tegen het besluit van 21 juli 2003 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van

17 december 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat het College bij het besluit van 21 juli 2003 ambtshalve ten nadele van appellanten is teruggekomen van de in het besluit van 28 november 2002 neergelegde voorwaardelijke afkoopregeling. Naar vaste rechtspraak van de Raad is een dergelijk terugkomen van een eerder (begunstigend) besluit onder omstandigheden geoorloofd, tenzij het in strijd komt met in acht te nemen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel.

Naar het oordeel van de Raad is van een dergelijk beletsel in onderhavige zaak geen sprake. Uit de gedingstukken kan immers worden afgeleid dat de achterliggende gedachte bij het besluit van 28 november 2002 is geweest om appellant, gelet op de - gezien zijn (arbeids)verleden en persoon - beperkt ingeschatte mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, een kans te bieden samen met een compagnon een caravanhandel te beginnen en aldus bijstandsonafhankelijk te worden. Vaststaat dat appellanten aan het College geen mededeling hebben gedaan van hun activiteiten in dan wel hun betrokkenheid bij de op hun woonadres aangetroffen hennepkwekerij en/of -knipperij. De Raad acht voorts voldoende aannemelijk dat indien appellanten destijds volledig openheid van zaken hadden gegeven het besluit tot voorwaardelijke afkoop van de restantvordering niet door het College zou zijn genomen. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is in dit geval geen sprake, reeds omdat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw niet naar behoren zijn nagekomen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C.J. Borman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) R.J. van der Veen.