Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV7690

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2006
Datum publicatie
30-03-2006
Zaaknummer
05/2081 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wettelijk uitkeringspercentage periodieke uitkering verlaagd na omzetting periodieke uitkering in uitkering ex art. 21b, oud, Wuv (NMIK). Welk rechtsregime is - gelet op overgangsrecht - van toepassing als weer periodieke uitkering wordt gevraagd? Sprake van toezeggingen die verweerster tot handelen contra-legem moesten leiden?

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 10
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2081 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 9 maart 2005, kenmerk JZ/P60/2005/0113, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 februari 2006, waar eiser, met voorafgaand bericht, niet is verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren in 1934, in 1991 erkend als vervolgde in de zin van de Wet. De toen aan eiser ingaande 1 september 1989 tevens verleende periodieke uitkering is - omdat die uitkering wegens te hoge eigen inkomsten niet tot uitbetaling kwam - bij besluit van 6 mei 1992 per ingangsdatum ingetrokken onder gelijktijdige toekenning van het bedrag als bedoeld in artikel 21b, oud, van de Wet (hierna: NMIK), nu dit voor eiser gunstiger was. Eiser heeft tegen dit laatste besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

In 1999 en in 2004 heeft eiser verweerster verzocht om te bezien of - zijn vanwege pensionering gewijzigde financiële omstandigheden in aanmerking genomen - inmiddels voor hem een periodieke uitkering weer gunstiger zou zijn.

Verweerster heeft in beide gevallen beslist dat de NMIK voor eiser nog steeds gunstiger is zodat voor het alsnog weer toekennen van een periodieke uitkering geen aanleiding bestaat.

Tegen het op laatstgenoemd verzoek genomen besluit van 8 december 2004 heeft eiser bezwaar gemaakt, aanvoerende dat verweerster bij de berekening van de - eventueel toe te kennen - periodieke uitkering ten onrechte is uitgegaan van het in zijn geval naar huidige wetgeving geldende uitkeringspercentage van 60 van de grondslag, waar dit volgens de ten tijde van de eerste toekenning per 1 september 1989 geldende regels nog 70 was. Naar de mening van eiser dienen - gelet op de toepasselijke overgangsregeling bij de wetswijziging en ook op de toezeggingen die bij het omzettingsbesluit van 6 mei 1992 door verweerster zijn gedaan - zijn aanspraken op een periodieke uitkering naar het rechtsregime per 1 september 1989 te worden beoordeeld, nu dit voor hem gunstiger is.

Verweerster heeft dit bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Overwogen is dat de in het besluit van 6 mei 1992 vervatte toezegging niet meebrengt dat het uitkeringspercentage niet aan de gewijzigde financiële omstandigheden kan worden aangepast, terwijl de genoemde overgangsreling alleen geldt voor degene die op 1 januari 1992 al een periodieke uitkering had.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens de overgangsregeling als vervat in (artikel III van) de wet van 9 oktober 1991, Stb.1991, 620 - bij welke wet ingaande 1 januari 1992 onder meer het onderhavige, in artikel 10 van de Wet geregelde uitkeringspercentage is gewijzigd - blijft voor uitkeringen die zijn ingegaan vóór 1 januari 1992 het tot dan geldende uitkerings-percentage van kracht.

Nu eisers periodieke uitkering weliswaar aanvankelijk is toegekend per 1 september 1989, doch nadien per diezelfde datum weer - onder gelijktijdige toekenning van NMIK - is ingetrokken, kan ook naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat aan de voorwaarden van deze overgangsregeling is voldaan. Dit spreekt nog te meer nu in het systeem van de Wet een gelijktijdige toekenning van periodieke uitkering en NMIK niet mogelijk is (was).

Een en ander betekent dat verweerster bij het bestreden besluit terecht is uitgegaan van de tekst van de Wet zoals geldend sedert 1 januari 1992.

Vervolgens is nog aan de orde de vraag of in dit geval gezegd kan worden dat het bestreden besluit dermate in strijd komt met elementaire rechtsbeginselen - met name het zogenoemde vertrouwensbeginsel - dat toepassing van de nu voor eiser geldende wettelijke bepaling over het uitkeringspercentage geen rechtsplicht meer kan zijn.

Tot dit, ver strekkende, oordeel is de Raad onder de gegeven omstandigheden echter niet kunnen komen.

In het omzettingsbesluit van 6 mei 1992 is aangegeven: “Bij de beoordeling van een verzoek om herziening van deze beslissing tot beëindiging van de periodieke uitkering kan rekening worden gehouden met de aanspraken die golden laatstelijk voor vermeld tijdstip van intrekking”.

Reeds gelet op de term “kan” is van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van verweerster geen sprake. Daarbij komt dat - blijkens de ter zitting door verweersters gemachtigde gegeven toelichting - deze passage zijn oorsprong vindt in de, ook in het desbetreffende jaarverslag van de Pensioen- en Uitkeringsraad gepubliceerde, beleids-opvatting van verweerster dat bij latere herziening uitgegaan zal blijven worden van het eenmaal voor de toepassing van de Wet vastgestelde vermogen van de betrokkene.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Het ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Koerts als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) R.E. Koerts.

HD

10.02