Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV6431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2006
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
05-7427 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Spoedeisend belang. Met in achtneming uitspraak rechtbank uiterlijk 31 januari 2006 nieuw besluit bekend maken. Dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7427 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, gedaagde.

I. INLEIDING

Namens gedaagde is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 mei 2005,

nr. AWB 04/2431 AW, waarbij het besluit van gedaagde van 11 mei 2004 tot handhaving van het aan verzoeker gegeven ontslag is vernietigd en gedaagde is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Het door verzoeker op 22 november 2005 bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar en het op 14 december 2005 bij de rechtbank ingediende verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, zijn door de rechtbank op 22 december 2005 doorgezonden aan de Raad.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 januari 2006, waar verzoeker in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.H.C. van Eck, werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

II. MOTIVERING

1. Voor de beoordeling van het onderhavige verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 6 mei 2002 heeft gedaagde verzoeker met ingang van 1 september 2002 ontslagen op grond van

artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn ambt anders dan op grond van ziekten of gebreken. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 18 maart 2004 het besluit van 17 januari 2003, waarbij verzoekers bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond is verklaard, vernietigd. Daarop heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 11 mei 2004 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2002 opnieuw ongegrond is verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van verzoeker opnieuw gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en voorts bepalingen gegeven omtrent betaling van griffierecht en proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit op een onvoldoende feitelijke grondslag berust en derhalve is genomen in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde beginsel dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.2. Gedaagde heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Naar het oordeel van gedaagde heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het ontslag in onvoldoende mate op een concrete feitelijke grondslag berust.

3. Verzoeker heeft op 22 november 2005 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, nieuw besluit op bezwaar. Op 14 december 2005 heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Ter ondersteuning van dat verzoek heeft verzoeker aangevoerd dat hij (op voorschotbasis) werkloosheidsuitkering(en) ontvangt en inmiddels door Loyalis Mens en Werk, met wie gedaagdes ministerie een contract heeft afgesloten, is uitgenodigd voor het in gang zetten van een reïntegratietraject. Verzoeker stelt een spoedeisend belang te hebben bij een nieuw besluit, omdat weigering van een reïntegratietraject of een aangeboden baan kan leiden tot stopzetting van die uitkeringen, terwijl er nog onzekerheid bestaat omtrent de rechtmatigheid van zijn ontslag per 1 september 2002 en het dus allerminst vaststaat dat hij gehouden is aan zo’n traject deel te nemen. Bovendien is verzoeker bevreesd dat het in gang zetten van een reïntegratietraject een mogelijke terugkeer bij gedaagdes ministerie blokkeert.

4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. De voorzieningenrechter constateert dat door gedaagde geen voorlopige voorziening is gevraagd teneinde de werking van de aangevallen uitspraak op te schorten. Gedaagde was derhalve gehouden om ter uitvoering van die uitspraak een nader besluit te nemen.

4.3. De voorzieningenrechter volgt gedaagde niet in zijn oordeel dat er geen connexiteit bestaat tussen het verzoek om een voorlopige voorziening terzake van de weigering een besluit te nemen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak en de bodemprocedure die thans bij de Raad aanhangig is. Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad dient in hoger beroep ook de door verzoeker aangevochten (fictieve) weigering om te beslissen met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb te worden beoordeeld. In dat kader kan ook een voorlopige voorziening worden getroffen.

4.4. Evenmin onderschrijft de voorzieningenrechter het standpunt van gedaagde dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft nu het primaire ontslagbesluit door de rechtbank in stand is gelaten. Zoals hiervoor al is overwogen, en ook door gedaagde niet wordt betwist, ontslaat dit gedaagde niet van de verplichting een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

4.5. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat verzoeker bij brieven van 20 september 2005, 29 september 2005 en 13 oktober 2005 bij gedaagde heeft aangedrongen op toezending van een nieuw besluit. Uit een reactie zijdens gedaagde op deze brieven van 18 oktober 2005 valt af te leiden dat tot aan dat moment nog geen enkele actie ter zake was ondernomen. In een brief aan de rechtbank van 14 december 2005 heeft gedaagde aangegeven dat een nieuwe beslissing in januari 2006 te verwachten valt. Noch voornoemde rappellen van verzoeker, noch het verzoek om een voorlopige voorziening, noch de reeds op 3 januari 2006 verzonden kennisgeving van behandeling van dat verzoek op 19 januari 2006 (nadien verschoven naar

23 januari 2006) is kennelijk voor gedaagde aanleiding geweest het nemen van een nieuw besluit te bespoedigen.

4.6. In aanmerking genomen dat na de uitspraak van de rechtbank reeds ruim negen maanden zijn verstreken, verzoeker reeds vanaf september 2005 bij gedaagde erop aandringt tot afgifte van een nieuw besluit over te gaan en gezien ook de door verzoeker in 3. aangegeven omstandigheden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

4.7. Gedaagde wordt daarom thans opgedragen het met inachtneming van de aangevallen uitspraak van 10 mei 2005 te nemen nieuwe besluit uiterlijk op 31 januari 2006 aan verzoeker bekend te maken. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om aan het niet tijdig nakomen van deze voorziening een hierna te noemen dwangsom te verbinden.

5. De voorzieningenrechter ziet tot slot aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in het onderhavige geding, begroot op € 16,80 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;

Draagt gedaagde op om ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dit uiterlijk op 31 januari 2006 aan verzoeker bekend te maken, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 16,80 aan reiskosten, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A.D. van Dissel- Singhal.