Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV6400

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2006
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
05/7090 AW-VV, 05/7207 AW-VV, 05/7072 AW en 05/7149 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoeken om voorlopige voorzieningen. Voorzieningenrechter voorziet zelf. Herplaatsingskandidaat na 18 maanden nog geen passende functie aangeboden. Besluit tot ontslag op eigen verzoek vernietigd. Eervol ontslag toekennen.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7090 AW-VV en 05/7207 AW-VV

05/7072 AW en 05/7149 AW

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alsmede inzake de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

de Minister van Verkeer en Waterstaat, hierna: de minister,

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene.

I. INLEIDING

Op bij beroepschriften (met bijlagen) aangevoerde gronden is namens de minister en door betrokkene elk voor zich hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2005,

nrs. AW 05/3719 en 05/3718 (hierna: de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Tevens heeft elk van de partijen verzocht met toepassing van artikel 8:81 van de Awb

een voorlopige voorziening te treffen.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 16 januari 2006, waar de minister zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D. den Hertog, advocaat te ‘s-Gravenhage, en mr. J. van der Heul, werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak en naar de tussen partijen gegeven uitspraak van de Raad van 2 juni 2005, nr. 03/6063 AW (hierna: uitspraak A), en naar de uitspraak van de Raad van 2 juni 2005 tussen betrokkene en het College van burgemeester van burgemeester en wethouders van de gemeente

’s-Gravenhage (hierna: het College), nrs. 03/3082 AW en 3083 AW (hierna: uitspraak B). Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Betrokkene was sedert 1980 in vaste dienst van de minister aangesteld en werkzaam bij de directie Zuid-Holland van Rijkswaterstaat (hierna: RWS). Op verzoek van betrokkene was zijn betrekkingsomvang met ingang van 1 april 2001 verminderd tot 25 uur per week. Bij besluit van 3 december 2001 was aan betrokkene de status van herplaatsingskandidaat verleend. Betrokkene heeft bij brief van 8 september 2002 om ontslag verzocht. Bij besluit van 26 september 2002 (hierna ook: het ontslagbesluit) is hem dit ontslag verleend met ingang van 15 november 2002.

1.2. Bij brief van 5 november 2002 heeft betrokkene zijn ontslagverzoek ingetrokken, omdat hem inmiddels ontslag was aangezegd uit de nieuwe betrekking waarin hij was aangesteld, en heeft hij bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit. Bij besluit van 28 februari 2003 is dat bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak A heeft de Raad geoordeeld dat de minister bij de door hem verrichte belangenafweging in redelijkheid niet kon komen tot het laten prevaleren van het beperkte belang van de dienst boven het zwaarwegende belang van betrokkene bij het herstel van het dienstverband. Het besluit van 28 februari 2003 is door de Raad vernietigd met de opdracht aan de minister om met inachtneming van uitspraak A opnieuw op het bezwaar te beslissen.

1.4. De minister heeft bij besluit van 12 augustus 2005 (hierna ook: het bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene (opnieuw) ongegrond verklaard en het besluit van

26 september 2002 gehandhaafd. De minister heeft hiertoe bij zijn belangenafweging doorslaggevende betekenis toegekend aan enige zijns inziens nieuwe aspecten ten opzichte van de door Raad bij uitspraak A gegeven belangenafweging naar het peilmoment van 28 februari 2003. In de omstandigheid dat de Raad bij uitspraak A het primaire ontslagbesluit niet had vernietigd ziet de minister besloten liggen dat de Raad een hernieuwde handhaving van het ontslag mogelijk heeft geoordeeld.

1.4.1. De minister acht in dat kader van belang dat pas ingevolge uitspraak B vaststaat dat betrokkene jegens het College verwijtbaar onjuist heeft gehandeld. Ook staat pas nu in rechte vast, dat betrokkene aan het ontslag door het College per 15 november 2002 geen aanspraak op werkloosheidsuitkeringen ontleent en dus verwijtbaar werkloos is geworden. De door betrokkene (ten onrechte geuite en nog immer gehandhaafde) verwijten aan RWS met betrekking tot het ontslag door het College leiden ertoe dat de integriteit van betrokkene in geding komt, hetgeen de reeds vertroebelde verhoudingen tussen partijen zal versterken en het herplaatsingsonderzoek zal bemoeilijken.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en aan de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Als voorziening is bepaald dat de minister aan betrokkene maandelijks € 900,- overmaakt, gerekend vanaf 2 juni 2005 tot zes weken nadat de minister het nieuwe besluit zal hebben genomen of totdat aan betrokkene zijn bezoldiging wordt uitbetaald. Ten slotte is bepaald dat de minister het griffierecht aan betrokkene moet vergoeden.

3.1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de aangevallen uitspraak te schorsen totdat uitspraak is gedaan in hoger beroep. Uitvoering van de aangevallen uitspraak moet leiden tot herleving van de aanstelling van betrokkene. Als gevolg daarvan zou de minister passende functies voor betrokkene moeten identificeren en zo mogelijk beschikbaar maken. Dat acht de minister onevenredig bezwaarlijk in verband met de verstoorde verhoudingen tussen partijen en de integriteitkwestie. De minister verwacht dat het besluit van 12 augustus 2005 in de bodemprocedure stand zal houden.

3.2. Betrokkenes verzoek om een voorlopige voorziening is – evenals zijn hoger beroep – een reactie op het hoger beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van de minister. Betrokkene heeft tengevolge van het gebruik door de minister van deze rechtsmiddelen elk vertrouwen in een correcte afdoening van de onderhavige kwestie verloren.

3.2.1. Zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, zoals aangepast ter zitting, betreft de bij de aangevallen uitspraak aan de minister opgelegde vergoeding van het griffierecht en een kleine aanpassing van de voorziening tot maandelijkse betaling door de minister van € 900,-. Betrokkene heeft tevens verzocht om tegelijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Zijn hoger beroep strekt ertoe dat ook het ontslagbesluit wordt vernietigd, zodat zijn dienstverband per 15 november 2002 alsnog herleeft. Tevens heeft betrokkene verzocht de minister op te dragen binnen zes weken een schadebesluit te nemen.

3.3. Partijen hebben ter zitting uitvoerig gereageerd op de wederzijdse stellingen en verzoeken. Namens de minister is desgevraagd geen beletsel opgeworpen tegen een eventuele zogenoemde kortsluiting.

4. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak. Hij zal daarom met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

5. het hoger beroep en het verzoek van de minister

5.1. In het hoger beroep van de minister is de vraag aan de orde of het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak terecht is vernietigd.

5.2. De voorzieningenrechter deelt het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de voorzieningenrechter van de rechtbank. Ook de voorzieningenrechter ziet in hetgeen de minister naar voren heeft gebracht geen grond voor de aanwezigheid van nieuwe gegevens die van betekenis zouden kunnen zijn voor de hernieuwde belangenafweging door de minister. Uitspraak A laat naar het oordeel van de voorzieningenrechter zien, dat de Raad reeds ten volle de kern van de door de minister als nieuwe gegevens aangemerkte omstandigheden heeft meegewogen. Niet valt in te zien dat de verwijtbaarheid van het door het College verleende ontslag en de afwezigheid van een werkloosheidsuitkering nieuwe feiten zijn. Ook de verwijten van betrokkene jegens RWS waren ten volle bekend aan de Raad.

5.3. Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep van de minister niet slaagt. Voor toewijzing van de door hem verzochte voorlopige voorziening is dan ook geen grond.

6. het hoger beroep en het verzoek van betrokkene

6.1. In verband met de vervolgens te beantwoorden vraag of (ook) het ontslagbesluit voor vernietiging in aanmerking komt, overweegt de voorzieningenrechter het navolgende.

6.1.1. In uitspraak A heeft de Raad mede aanzienlijke betekenis toegekend aan de situatie van betrokkene binnen RWS. De voorzieningenrechter noemt de reeds vanaf 3 december 2001 aan betrokkene toegekende status van herplaatsingskandidaat, de moeilijke herplaatsbaarheid van betrokkene en de voor 2003 voorgenomen reorganisatie met inkrimping van het personeelsbestand. Het gevolg van een en ander was dat betrokkene binnen afzienbare tijd voor ontslag in aanmerking zou komen wegens de onmogelijkheid van zijn herplaatsing. Bij die omstandigheid acht de voorzieningenrechter thans een enkele vernietiging van het ontslagbesluit niet geraden.

6.1.2. Betrokkene heeft ter zitting met betrekking tot zijn vooruitzichten op een andere functie gewezen op de functie die hem in september 2002 was aangeboden en heeft overigens aangegeven dat het niet zeker is of er een nieuwe passende functie zou zijn. De minister heeft onweersproken aangegeven dat de desbetreffende functie slechts tijdelijke werkzaamheden betrof, die betrokkene waren aangeboden in het kader van zijn status van herplaatsingskandidaat. De minister heeft tevens onweersproken aangegeven dat de reguliere termijn van de herplaatsingsinspanningen 18 maanden bedroeg en dat er in het geval van betrokkene geen gebruik zou zijn gemaakt van de mogelijkheid om die termijn te bekorten.

6.1.3. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande voldoende aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. In aanmerking genomen dat betrokkene gerekend vanaf 3 december 2001 herplaatsings-kandidaat was en dat niet is gebleken van enige passende functie die aan betrokkene

zou (hebben) kunnen worden aangeboden in de hier van belang zijnde periode van 18 maanden, zal de voorzieningenrechter het bezwaar tegen het besluit tot ontslag op eigen verzoek gegrond verklaren, dat ontslagbesluit herroepen en betrokkene met toepassing van artikel 96, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement eervol ontslag verlenen met ingang van 3 juni 2003.

6.2. In verband met het verzoek van betrokkene om de minister op te dragen binnen zes weken een schadebesluit te nemen wijst de voorzieningenrechter erop dat betrokkene ingevolge de aangevallen uitspraak een verzoek om schadevergoeding moet indienen bij de minister. Nu de minister na de onderhavige uitspraak geen besluit meer behoeft te nemen op het bezwaar tegen het ontslagbesluit waarbij ook schade als gevolg van dat besluit aan de orde zou hebben kunnen komen, zal betrokkene ter zake van die schade een onderbouwde aanvraag moeten indienen bij de minister. Voor een opdracht aan de minister is in dit geding dus geen plaats.

6.3. Betrokkene heeft verzocht om de bij de aangevallen uitspraak getroffen voorziening enigermate aan te passen. De voorzieningenrechter overweegt dat de gevraagde aanpassing door de onderhavige uitspraak zinledig is geworden. Het verzoek zal dus worden afgewezen.

6.4. Aangezien het onderdeel van de aangevallen uitspraak betreffende de onder 6.3. bedoelde voorziening - waartegen de minister in hoger beroep geen grieven heeft aangevoerd - voor bevestiging in aanmerking komt, moet de minister het bedrag van

€ 900,- per maand blijven betalen totdat aan betrokkene de hem nog toekomende bezoldiging over de periode van 15 november 2002 tot 3 juni 2003 is betaald.

Ter verkrijging van inkomsten over het tijdvak vanaf 3 juni 2003 moet betrokkene zich richten tot de hem bekende uitkeringsinstanties.

6.5. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het opleggen van een dwangsom ter zake van de vergoeding van het door betrokkene in eerste aanleg betaalde griffierecht, waarvan namens de minister is verklaard dat deze naar betrokkene onderweg is.

7. Op grond van al het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, behoudens voorzover daarbij aan de minister de opdracht is gegeven om een nieuw besluit te nemen. Zoals onder 6.1.3. is overwogen, zal de voorzieningenrechter zelf in de zaak voorzien. Voorts wijst hij het door elk van partijen gedane verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

9. Hij vindt tot slot aanleiding om de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 21,30 aan reiskosten. Een veroordeling tot vergoeding van de overige door betrokkene opgevoerde kosten kan niet worden uitgesproken omdat (de bijlage bij) het Besluit proceskosten bestuursrecht daarin niet voorziet.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij aan de minister de opdracht is gegeven binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen;

Vernietigt deze opdracht;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 26 september 2002 gegrond en herroept dit besluit;

Verleent aan betrokkene met toepassing van artikel 96 van het Algemeen Rijksambtena-renreglement eervol ontslag met ingang van 3 juni 2003 en bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het (in eerste aanleg) vernietigde besluit van 12 augustus 2005;

Wijst het door elk van de partijen gedane verzoek om een voorlopige voorziening af;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 21,30, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan betrokkene het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 207,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van O. Boute als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O. Boute.

2301

JvS