Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV6076

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
03/3523 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning WAO-uitkering. Geschiktheid eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/3523 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 8 maart 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 5 juni 2003 (AWB 02/847 WAO) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellants gemachtigde heeft de Raad bij brieven van 4 januari 2005, 4 april, 6 april, 12 april en 14 april 2005 stukken doen toekomen.

Van de zijde van gedaagde is hierop gereageerd door inzending van rapporten van een bezwaarverzekeringsarts van

18 januari 2005 en 18 april 2005.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 27 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Visser voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S. Croes, werkzaam bij het Uwv.

Na heropening van het onderzoek heeft M.P. Rulkens, revalidatiearts te Arnhem, op verzoek van de Raad als deskundige met een rapport van 11 juli 2005 van advies gediend. Appellants gemachtigde heeft hierop gereageerd. Desgevraagd heeft de deskundige bij brief van 11 augustus 2005 nog een nadere toelichting verstrekt. Appellants gemachtigde heeft de Raad nadien nog meegedeeld dat geen contra-expertise kon worden uitgebracht.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 8 februari 2006, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Visser voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.H. Nuijens, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant, die laatstelijk voor 40 uur per week werkzaam was als softwareontwerper, is op 19 september 2000 wegens pijnklachten aan de linkerbil ongeschikt geworden voor zijn arbeid. Op 13 augustus 2001 heeft hij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die vaststelde dat appellant, die in het verleden sport had beoefend als amateur-wielrenner, waarschijnlijk wegens een opgelopen blessure en chronische tendinitis, een overbelasting aan de hamstring had opgelopen. De verzekeringsarts zag in de pijnklachten, waarvoor appellant fysiotherapeutische behandeling onderging, geen grond om beperkingen ten aanzien van het verrichten van werk aan te nemen. Appellant werd dan ook niet ongeschikt geacht voor zijn eigen werk.

Bij besluit van 30 augustus 2001 is aan appellant meegedeeld dat hem in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, welke op 17 september 2001 was verstreken, geen uitkering ingevolge de WAO werd toegekend.

Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en is naar aanleiding hiervan gezien door bezwaarverzekeringsarts

F.J.J. van Gulick. Deze concludeerde, gelet op zijn onderzoeksbevindingen, de informatie van de behandelend sector en van de betrokken arbo-arts en hetgeen appellant op de hoorzitting naar voren had gebracht, dat er onvoldoende medische redenen waren om af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft, rekening houdend met de omstandigheid dat appellant 8 uur per dag hoofdzakelijk zittend werk verrichtte en de reistijd per auto van en naar het werk 2 uur bedroeg, in aanmerking genomen dat appellants werk als softwareontwerper voldoende afwisseling en mobiliteit bood. Het geclaimde onvermogen ten aanzien van langdurig zitten achtte de bezwaar- verzekeringsarts medisch niet verklaarbaar, terwijl het werk volgens deze arts slechts een beperkte spier- en peesbelasting meebracht.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

De Raad staat in dit geding voor de vraag of gedaagde terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant op en na

18 september 2001 niet ongeschikt was voor zijn arbeid als softwareontwerper.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.

Uit het door appellants gemachtigde in hoger beroep ingebrachte rapport van 29 december 2004 van dr. B. Vanermen, orthopedisch chirurg te Deurne, valt af te leiden dat deze specialist appellants werk als computerprogrammeur op de datum in geding voor hem uitvoerbaar achtte, indien de arbeidsomgeving zodanig kon worden aangepast, dat betrokkene alternerend kon staan en zitten. Een lange reistijd achtte deze specialist wel van invloed op de belastbaarheid van appellant en dit reeds bij aanvang van het werk.

In reactie op dit rapport heeft bezwaarverzekeringsarts S. Gommers er op gewezen dat appellant in zijn werk kon vertreden en dat hij de reis per auto van en naar het werk tijdig kon onderbreken, zodat de conclusies van voornoemde specialist geen reden vormden om een ander standpunt in te nemen.

De door de Raad geraadpleegde revalidatiearts M.P. Rulkens voornoemd heeft in antwoord op de hem voorgelegde vragen geconcludeerd, dat hij zich volledig kon verenigen met de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Gulick voornoemd. In een toelichtend schrijven van 11 augustus 2005 heeft de deskundige gesteld dat de anamnese van appellant verdacht kon zijn voor een m. periformus syndroom of aanhechtingsprobleem van de m. biceps femoris links, hetgeen door echografie was bevestigd. Volgens de deskundige was hier sprake van een vervelend probleem dat bij een goed copingsmechanisme geen reden is om langdurig uit te vallen, waarbij ook het langer autorijden met een tussenstop en enige beweging tot de mogelijkheden zou kunnen behoren.

De Raad ziet geen reden om de, door appellants gemachtigde overigens niet meer bestreden, conclusie van de deskundige niet te volgen. In de verwijzing van de deskundige naar een goed copingsmechanisme ziet de Raad, hoewel de bezwaarverzekeringsarts Van Gulick reeds wees op de betekenis van appellants beleving van zijn beperkingen en een daarbij passend gedragspatroon, geen grond om een psychiater te raadplegen.

Het geheel van de medische gegevens overziende is de Raad dan ook van oordeel dat appellant op de datum in geding op goede gronden niet ongeschikt is geacht voor zijn werk.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.S.G. Staal.