Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV4654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2006
Datum publicatie
13-03-2006
Zaaknummer
05-487 WUV + 05-1532 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag WUV-uitkering en WUV-voorziening afgewezen. Geen causaal verband gezondheidsklachten en omstandigheden Japanse bezetting WOII. Niet ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/487 WUV + 05/1532 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres] wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Eiseres is bij de Raad in beroep gekomen tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar tegen een ten aanzien van eiseres door verweerster ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 genomen besluit van 22 januari 2004.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend en vervolgens onder dagtekening

17 februari 2005, kenmerk JZ/M70/2005/0058, alsnog een besluit genomen op het bezwaar tegen het hierboven genoemde besluit van 22 januari 2004.

Ook tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In dat beroepschrift heeft eiseres uiteengezet waarom zij het met het bestreden besluit niet eens is.

Verweerster heeft wederom een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 januari 2006. Aldaar is eiseres niet verschenen. Verweerster heeft zich daar doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, die is geboren in 1927 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, heeft in december 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). In dit verband heeft eiseres gesteld dat zij gezondheidsklachten heeft die verband houden met het omkomen van haar vader tijdens zijn internering onder de Japanse bezetting.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 22 januari 2004 op de grond dat niet is komen vast te staan dat eiseres vervolging heeft ondergaan en dat verweerster voorts niet heeft kunnen vaststellen dat eiseres voldoet aan het door de Wet gestelde nationaliteitsvereiste, zodat verweerster de uitzonderingsbepaling van artikel 3, tweede lid, van de Wet, op grond waarvan eiseres zou kunnen worden gelijkgesteld met de vervolgde, niet kan toepassen.

Eiseres heeft tegen dat besluit bezwaar ingediend en is, toen op dat bezwaar niet tijdig een besluit was genomen, tegen het uitblijven van dat besluit bij de Raad in beroep gekomen.

Verweerster heeft bij het alsnog genomen, bestreden besluit van 17 februari 2005 haar standpunt gehandhaafd dat eiseres geen vervolging heeft ondergaan en, zij het op andere gronden, dat eiseres niet kan worden gelijkgesteld met de vervolgde.

De Raad stelt allereerst vast dat niet gebleken is dat eiseres thans nog belang heeft bij haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, zodat dat beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Met betrekking tot verweersters besluit van 17 februari 2005 overweegt de Raad het volgende.

Verweerster heeft bij laatstgenoemd besluit overwogen dat zij inmiddels heeft vastgesteld dat eiseres wel voldoet aan de vereisten met betrekking tot nationaliteit en woonplaats. Voorts heeft zij overwogen dat de oorlogsomstandigheden, met name het omkomen van de vader van eiseres als gevolg van de vervolging, haar aanleiding hebben gegeven om een medisch advies uit te laten brengen teneinde te beoordelen of er bij eiseres ziekten of gebreken zijn die redelijkerwijs zijn toe te schrijven aan het overlijden van haar vader. Verweerster is echter van mening dat dit laatste niet het geval is. Verweerster heeft op grond daarvan bepaald dat het geen klaarblijkelijke hardheid is om de Wet in het geval van eiseres niet toe te passen.

Eiseres kan zich met dat besluit, met name voor zover daarbij is geweigerd haar gelijk te stellen met de vervolgde, niet verenigen. Zij voert aan - kort samengevat - dat het overlijden van haar vader haar destijds zeer aangegrepen heeft en dat zij als kind voorts door het verlies van haar vader alle ouderlijke zorg heeft moeten missen en onder meer geen behoorlijke opleiding heeft kunnen krijgen. Verweerster kijkt volgens eiseres ten onrechte slechts naar haar huidige gezondheidstoestand terwijl voorbij wordt gegaan aan het leed dat eiseres in de oorlogsjaren heeft ondergaan door de vervolging van haar vader.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen van de zijde van eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd - voor zover van belang - met de vervolgde gelijk te stellen, de persoon die tijdens de oorlogsjaren

1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de Raad de wijze waarop verweerster hiervan gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen.

Verweerster heeft in het geval van eiseres geoordeeld dat eiseres heeft verkeerd in omstandigheden die met vervolging overeenkomst vertonen. Verweerster heeft evenwel geweigerd gebruik te maken van de haar in artikel 3, tweede lid, van de Wet gegeven bevoegdheid omdat zij bij eiseres geen ziekten of gebreken heeft geconstateerd waarvan kan worden aangenomen dat deze redelijkerwijs verband houden met het omkomen van haar vader. De Raad heeft reeds eerder geoordeeld dat een maatstaf als deze door verweerster in redelijkheid gesteld kan worden.

Verweerster heeft haar standpunt ontleend aan de resultaten van een door haar medisch adviseur, de arts R.van Gorkum, op 27 november 2003 bij eiseres verricht medisch onderzoek en een verklaring van longarts prof. Dr. Hadiarto Mangunnegoro. Beide medische rapporten geven aan dat er sprake is van lichte slaapproblemen. Deze zijn ontstaan in 1997 tijdens de ziekte van haar echtgenoot. Van andere psychische klachten, bijvoorbeeld depressieve klachten, is geen sprake. R.van Gorkum heeft geconcludeerd dat er bij eiseres geen sprake is van psychische klachten die leiden tot een ziekte of gebrek.

Met betrekking tot de lichamelijke klachten van eiseres heeft deze arts geen causaal verband kunnen leggen met het overlijden van de vader van eiseres.

De Raad heeft in de gedingstukken geen aanleiding gevonden tot een ander oordeel te komen.

Ook van de zijde van eiseres zijn geen gegevens ingebracht waaruit zou kunnen blijken dat er bij haar sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs zijn toe te schrijven aan het omkomen van haar vader.

De Raad merkt voorts op dat, anders dan eiseres meent, bij de beoordeling van de vraag of er bij haar sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het omkomen van haar vader niet maatgevend is de situatie ten tijde van die calamiteit maar haar gezondheidstoestand ten tijde van de aanvraag.

De Wet voorziet overigens niet in een schadevergoeding voor ondergaan leed of gederfde opleiding maar strekt er toe vervolgden binnen bepaalde grenzen te compenseren voor de materiƫle gevolgen van ziekten en gebreken die te wijten zijn aan de ondergane vervolging.

Het vorenstaande brengt mee dat niet gezegd kan worden dat verweerster niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, zodat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard.

De Raad ziet, ten slotte, geen proceskosten die in aanmerking komen voor vergoeding met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen het door verweerster genomen besluit van 22 januari 2004 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen verweersters besluit van 17 februari 2005 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en

mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.