Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV4649

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2006
Datum publicatie
13-03-2006
Zaaknummer
04/6535 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Negatieve beoordeling. Verbeteringstraject met intensieve begeleiding. Ontslag wegens ongeschiktheid voor vervulling functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6535 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [w[woonplaats]] appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [w[woonplaats]] gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank [woonplaats] van 4 november 2004, nr. AWB 03/3778 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden.

Desgevraagd heeft gedaagde een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 februari 2006, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. T. Rhijnsburger, advocaat te [woonplaats]. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. Kleiweg de Zwaan, M. Kirkels en

W.F. Peters, allen werkzaam bij de gemeente [woonplaats].

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is vanaf 28 april 1999 bij Werkstad [woonplaats] werkzaam geweest in de functie van consulent.

1.2. Tijdens het kennismakingsgesprek van appellante met haar nieuwe leidinggevende heeft appellante onder meer aandacht gevraagd voor de achterstanden in haar werk, die waren ontstaan doordat zij een gedeelte van 2001 wegens ziekte op half-timebasis werkzaam was geweest. Tijdens dat gesprek hebben appellante en haar leidinggevende vervolgens afspraken gemaakt, onder meer over het wegwerken van de ontstane achterstanden en het invullen en bijhouden van de elektronische agenda door appellante.

1.3. In de maanden februari en maart 2002 heeft appellantes leidinggevende meerdere voortgangsgesprekken met appellante gevoerd, waarbij tekortkomingen in appellantes functioneren en verbeterpunten aan de orde zijn gesteld.

1.4. Op 13 mei 2002 is over appellantes wijze van functioneren een beoordeling opgemaakt. Daarin is onder meer geconcludeerd dat de in het begin van 2002 vastgestelde grote achterstand in appellantes werkzaamheden, ondanks de grote inzet van appellante en de aansturing door de leidinggevende, niet was gereduceerd tot aanvaardbare proporties. Verder is geconcludeerd dat de kwaliteit van het werk niet voldoende was. De beoordeling had als eindoordeel D (functievervulling ligt op wezenlijke onderdelen duidelijk onder de gestelde functie-eisen). Tegen de vaststelling heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

Naar aanleiding van deze beoordeling heeft gedaagde met appellante afgesproken dat vanaf begin juni 2002 een verbetertraject met intensieve begeleiding zal worden ingezet en dat appellante zal worden voorgedragen voor ongeschiktheidsontslag als haar functioneren op 1 september 2002 niet substantieel is verbeterd.

1.5. Op 26 september 2002 is over appellantes wijze van functioneren over het tijdvak vanaf begin juni 2002 een beoordeling opgemaakt. Daarbij is geconcludeerd dat er over de gehele lijn verbeteringen te zien zijn in appellantes functioneren, maar dat ondanks de begeleiding die appellante heeft gehad, die verbeteringen niet voldoende waren.

Tegen de vaststelling van deze beoordeling heeft appellante evenmin rechtsmiddelen aangewend.

1.6. Bij besluit van 23 april 2003 heeft gedaagde appellante ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking, anders dan op grond van ziekte of gebreken als bedoeld in artikel 91 van het Ambtenarenreglement [woonplaats]. Daartoe heeft gedaagde overwogen dat het functioneren van appellante zowel kwalitatief als kwantitatief niet voldeed. Naar het oordeel van gedaagde was er weliswaar aan het einde van het verbetertraject enige verbetering geconstateerd in appellantes functioneren, doch dat was niet de substantiële verbetering die gelet op het niveau en vooropleiding van appellante redelijkerwijze van haar mocht worden verwacht.

1.7. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 16 december 2003.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellante tegen het besluit van 16 december 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat gedaagde voldoende onderbouwing heeft gegeven van het ontslagbesluit en op goede gronden heeft geoordeeld dat appellante ondanks het geboden verbetertraject onvoldoende vorderingen heeft gemaakt en dat zij derhalve onbekwaam dan wel ongeschikt is voor de vervulling van haar betrekking, anders dan door ziekte of gebreken.

3. De Raad onderschrijft gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop de rechtbank tot haar oordeel is gekomen. Naar aanleiding van hetgeen namens partijen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het navolgende.

3.1. Uit de onder 1.4. en 1.5. genoemde in rechte vaststaande beoordelingen komt naar het oordeel van de Raad genoegzaam naar voren dat appellante, ook na aansturing en intensieve begeleiding door haar leidinggevende, op meerdere onderdelen van haar functievervulling onvoldoende presteerde. In de voorhanden zijnde gegevens heeft de Raad, in aanmerking genomen de aard van veel van de door gedaagde geconstateerde tekortkomingen in appellantes functioneren, geen steun gevonden voor de door appellante ook in hoger beroep ontvouwde zienswijze, dat bijzondere omstandigheden, zoals de administratieve - en automatiseringsproblemen, de steeds veranderende regelgeving, het personeelsverloop en het ziekteverzuim, van doorslaggevende invloed zijn geweest op haar functioneren.

3.2. Evenmin acht de Raad aannemelijk gemaakt dat appellante onvoldoende is begeleid. Uit de zich onder de stukken bevindende verslagen van de onder 1.3. genoemde voort-gangsgesprekken komt naar voren dat geconstateerde tekortkomingen en verbeterpunten in appellantes functioneren in die gesprekken aan de orde zijn gesteld, dat door appellantes leidinggevende aanwijzingen zijn gegeven en dat afspraken zijn gemaakt om appellantes werkzaamheden op orde te krijgen.

Uit de begeleidingsrapportages ziet de Raad verder genoegzaam naar voren komen dat appellante gedurende het in juni 2002 ingezette begeleidingstraject op intensieve wijze door haar leidinggevende is begeleid. Door gedaagde is onweersproken gesteld, dat deze begeleidingsrapportages gedurende het verbetertraject aan appellante ter inzage zijn gekomen, zodat moet worden geconstateerd dat appellante gedurende dat tijdvak steeds op de tekortkomingen in haar functioneren is gewezen.

3.3. De Raad acht de totale duur van het verbeteringstijdvak weliswaar kort, doch hij kan deze in de gegeven omstandigheden niet onzorgvuldig of onrechtmatig achten. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de tekortkomingen zich voordeden op essentiële onderdelen van het functioneren en dat appellante een ervaren medewerkster mag worden genoemd. Gedaagde heeft gelet hierop met recht het standpunt kunnen innemen dat verbetering tot aanvaardbaar niveau niet meer in de verwachting lag. De omstandigheid dat zich in dat tijdvak periodes van gehele of gedeeltelijke arbeids-ongeschiktheid hebben voorgedaan staat niet in de weg aan beoordeling van appellantes functionele (on)geschiktheid door gedaagde en maakt deze niet onzorgvuldig of irreëel. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat in overleg met de bedrijfsarts de werklast van appellante is afgestemd op het aantal uren dat zij werkzaam was.

4. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit van 16 december 2003 in rechte stand houdt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en

mr. J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.J.W. Loots.