Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV4641

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2006
Datum publicatie
13-03-2006
Zaaknummer
04/4572 AW, 04/4573 AW, 04/4574 AW en 04/4575 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdens ziekte eigen bedrijf gestart en werkzaamheden verricht. Ontslag wegens ernstig plichtsverzuim. Terugvordering onverschuldigd betaalde bezoldiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4572 AW, 04/4573 AW, 04/4574 AW en 04/4575 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene,

en

het College van burgemeester en wethouders van de g[plaatsnaam]] hierna: het College.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens het College, respectievelijk betrokkene is op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 9 juli 2004, nrs. AWB 03/770 en AWB 04/153, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Zowel namens betrokkene als namens het College is een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 26 januari 2006, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. G.B.M. Zuidgeest, advocaat te Alphen aan den Rijn. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Zwennis, juridisch adviseur bij Vijverberg Juristen B.V., en J.A.C. Bogers, werkzaam bij de g[plaatsnaam]]

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was vanaf 1 augustus 1999 werkzaam als projectleider bij de gemeente [plaatsnaam] met een aanstelling voor 21,6 uur per week.

Op 30 juli 2001 heeft hij zich ziek gemeld. Nadien heeft hij niet meer in betekenende mate voor de gemeente gewerkt.

1.2.1. Nadat het College bekend was geworden dat betrokkene tijdens zijn ziekteperiode via het door hem opgerichte bedrijf [bedrijfsnaam] B.V. in ieder geval voor de gemeente Voorschoten werkzaamheden had verricht, heeft het College hem bij besluit van 24 maart 2003 (besluit 1) medegedeeld dat de doorbetaling van zijn bezoldiging met toepassing van artikel 7:2:2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerking Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR/UAR) over de maand maart 2003 werd gestaakt.

1.2.2. Voorts heeft het College betrokkene bij besluit van 7 mei 2003 (besluit 2) op grond van artikel 15:1:12, eerste lid, van de CAR/UAR verplicht tot vergoeding van door de gemeente geleden schade ten bedrage van € 63.342,58 wegens over de periode van 30 juli 2001 tot en met 24 maart 2003 (ten onrechte) betaalde bezoldiging.

1.2.3. Na betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld om zijn zienswijze terzake te geven, heeft het College hem bij besluit van 21 mei 2003 (besluit 3) met toepassing van artikel 8:13 van de CAR/UAR disciplinair ontslag verleend met ingang van 24 mei 2003 wegens zeer ernstig plichtsverzuim.

1.2.4. Bij besluit van 6 augustus 2003 (bestreden besluit 1) heeft het College de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

1.3.1. Bij besluit van 31 juli 2003 (besluit 4) heeft het College € 4.049, 99 van betrokkene teruggevorderd. Naar de mening van het College is aan betrokkene, gezien besluit 1, over de maanden april en mei 2003 onverschuldigd bezoldiging betaald.

1.3.2. Bij besluit van 9 januari 2004 (bestreden besluit 2) heeft het College besluit

4 herroepen voorzover dit de periode 25 april 2003 tot en met 23 mei 2003 betreft en het bezwaar van betrokkene tegen besluit 4 voor het overige ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 (ten dele) gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voorzover dit strekt tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit 2. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

3. Het College is tegen die uitspraak in hoger beroep gekomen voorzover daarbij het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 gegrond is verklaard en dit besluit is vernietigd. Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld voorzover zijn beroepen door de rechtbank ongegrond zijn verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad het volgende.

Staken doorbetaling bezoldiging (besluit 1)

4.1.1. Ingevolge artikel 7:2:2, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/UAR wordt de doorbetaling van bezoldiging gestaakt indien en voor zolang de ambtenaar tijdens de verhindering om zijn betrekking te vervullen voor zichzelf of voor derden arbeid verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en burgemeester en wethouders daartoe toestemming hebben verleend.

4.1.2. Vast staat dat betrokkene tijdens zijn ziekteperiode bij de gemeente [plaatsnaam] gedurende een substantieel aantal uren werkzaamheden heeft verricht voor de gemeente Voorschoten. Hij heeft daarvan geen melding gemaakt bij eerstgenoemde gemeente zodat over deze aangelegenheid geen oordeel is gegeven door de arbo-dienst en het College, als bedoeld in artikel 7:2:2, eerste lid, aanhef en onder d, voornoemd. Dit heeft het College tot het nemen van de bezoldigingsmaatregel gebracht, neergelegd in besluit 1.

4.1.3. Bij de beoordeling van het bij bestreden besluit 1 gehandhaafde besluit 1 acht de Raad van belang dat op grond van door betrokkene overgelegde facturen genoegzaam aannemelijk is geworden dat hij al in de maanden januari 2001 tot en met juli 2001, derhalve vóór zijn ziekteperiode, voor de gemeente Voorschoten heeft gewerkt, en dit gedurende gemiddeld niet minder uren per maand dan in de periode daarna. Betrokkene heeft voorts aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden voor Voorschoten gezien zijn fysieke en psychische beperkingen veel minder belastend voor hem waren dan de werkzaamheden die hij voor [plaatsnaam] heeft verricht. Hier doet zich dus de situatie voor dat na het intreden van ziekte werkzaamheden elders in omvang zijn voortgezet terwijl dit niet is geschied tot schade van de gezondheid. Naar het oordeel van de Raad is het in strijd met een redelijke uitleg van artikel 7:2:2, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/UAR om ook in een dergelijke situatie de eis te stellen dat de werkzaamheden in het belang van de genezing wenselijk worden geacht en dat voor het verrichten daarvan toestemming is verleend. Het stellen van deze eisen zal in beginsel beperkt moeten zijn tot de gevallen waarin de ziek geworden ambtenaar voor het eerst (de) andere werkzaamheden gaat verrichten of waarin hij de andere werkzaamheden in een grotere omvang gaat verrichten. Daarbij tekent de Raad nog aan dat niet van belang is of die andere werkzaamheden (deels) worden verricht op tijdstippen waarop de ambtenaar gewoonlijk zijn eigen functie vervulde.

4.1.4. Hieruit volgt dat het College bij besluit 1 ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de onderhavige bepaling. Nu de rechtbank hierover anders heeft geoordeeld komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Ook het bestreden besluit 1 kan op dit onderdeel geen stand houden. Aangezien het aan dit besluit klevende gebrek niet herstelbaar is, bestaat aanleiding zelf in de zaak te voorzien door ook besluit 1 te vernietigen.

Verplichting tot schadevergoeding aan de gemeente (besluit 2)

4.2.1. Ingevolge artikel 15:1:12, eerste lid, van de CAR/UAR kan de ambtenaar worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van door de gemeente geleden schade, voorzover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.

Bij besluit 2 is onder verwijzing naar voornoemd artikel 7:2:2 van de CAR/UAR overwogen dat, ten gevolge van het verwijtbare nalaten van betrokkene om de bedrijfsarts en het College in te lichten over zijn werkzaamheden elders tijdens zijn ziekteperiode, betrokkenes bezoldiging ten onrechte is doorbetaald, waardoor de gemeente schade heeft geleden.

4.2.2. De Raad kan in deze redenering niet met het College meegaan. Immers, zoals onder 4.1.3. is overwogen mist artikel 7:2:2, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/UAR in dit geval toepassing. Dit laat onverlet dat betrokkene wel melding had moeten maken van (voortzetting van) zijn werkzaamheden elders, zoals hierna nog ter sprake zal komen. Dit biedt evenwel geen basis voor het opleggen van een plicht tot vergoeding van schade, nog daargelaten of daarvan in dit geval kan worden gesproken.

4.2.3. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit 1 op dit onderdeel terecht vernietigd. De Raad is in de hiervoor geschetste omstandigheden voorts van oordeel dat ook (het primaire) besluit 2 voor vernietiging in aanmerking komt.

Strafontslag (besluit 3)

4.3.1. Aan dit besluit heeft het College de overweging ten grondslag gelegd dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met artikel 7:2:2, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/UAR alsmede met artikel 15:1:1 van de CAR/UAR. In dit laatste artikel is bepaald dat de ambtenaar gehouden is zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

4.3.2. De Raad stemt in zoverre in met de zienswijze van het College dat betrokkene zich niet heeft gedragen overeenkomstig het bepaalde in artikel 15:1:1, voornoemd, en overweegt daartoe als volgt.

4.3.3. Naar het oordeel van de Raad was betrokkene gehouden de bedrijfsarts op de hoogte te stellen van zijn (voortgezette) werkzaamheden bij de gemeente Voorschoten aangezien deze arts zonder deze informatie niet in staat was zich een zo nauwkeurig mogelijk beeld te vormen van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene en de mogelijkheden voor zijn reïntegratie. Het College heeft betrokkene dan ook terecht verweten deze informatie niet aan de bedrijfsarts te hebben verschaft.

4.3.4. Voorts had het alleszins voor de hand gelegen dat betrokkene het College uit eigen beweging in kennis had gesteld van (voortzetting van) zijn werkzaamheden elders. Hij heeft dit niet gedaan. Vooral valt hem echter aan te rekenen dat hij, naar de geding-stukken uitwijzen, bedoelde werkzaamheden bewust verborgen heeft willen houden voor het College. Zo heeft hij op een hoorzitting op 18 maart 2003 een te ongunstig beeld geschetst van zijn gezondheidssituatie en gesteld dat zijn dagelijkse bezigheden zich beperkten tot wat lezen, wandelen en fotograferen. Tijdens een op 21 maart 2003 gehouden verantwoordingsgesprek heeft betrokkene aanvankelijk gesteld dat hij via zijn bedrijf geen werkzaamheden voor derden meer heeft verricht. Nadat hem was voorge-houden dat het College over inlichtingen terzake beschikte, heeft hij medegedeeld een enkel uurtje per week advieswerk te doen, later in het gesprek gewijzigd in “enige uurtjes”. Betrokkene heeft aldus zonder meer een vertekend beeld van de werkelijkheid gegeven. Hij heeft ook uitdrukkelijk geweigerd opening van zaken te geven.

4.3.5. Gelet op een en ander is de Raad van oordeel dat betrokkene zich geenszins als een goed ambtenaar heeft gedragen en de noodzakelijke vertrouwensrelatie met het College ernstig onder druk heeft gezet. Het College heeft dit gedrag niet ten onrechte als zeer ernstig plichtsverzuim gekwalificeerd. In dit licht is de Raad tot de conclusie gekomen dat de opgelegde disciplinaire straf van ontslag niet onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim.

4.3.6. Dit brengt mee dat de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit 1 op dit onderdeel terecht ongegrond heeft geacht.

Terugvordering van bezoldiging (bestreden besluit 2)

4.4. Gezien de vernietiging van besluit 1, als onder 4.1.4. vermeld, moet worden geoordeeld dat aan bestreden besluit 2 de grondslag is ontvallen. Dit laatste besluit dient dan ook te worden vernietigd. Hetzelfde geldt voor de aangevallen uitspraak waar het dit onderdeel betreft. Daarnaast ziet de Raad reden besluit 4 te vernietigen aangezien dit besluit evenzeer geen grondslag meer heeft.

5. Omdat het vorenoverwogene leidt tot een in niet onbelangrijke mate andersluidend dictum dan in de aangevallen uitspraak is verwoord, geeft de Raad er, mede uit een oogpunt van duidelijkheid, de voorkeur aan de aangevallen uitspraak in haar geheel te vernietigen en te doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het College op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond voorzover dit de besluiten 1 en 2 betreft;

Vernietigt bestreden besluit 1 voorzover dit de besluiten 1 en 2 betreft;

Vernietigt de besluiten 1 en 2;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 voor het overige ongegrond;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;

Vernietigt bestreden besluit 2;

Vernietigt besluit 4;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van in totaal

€ 966,-, te betalen door de gemeente [plaatsnaam];

Bepaalt dat de gemeente [plaatsnaam] aan betrokkene het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 321,- vergoedt;

Bepaalt dat van de gemeente [plaatsnaam] een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

Q