Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV3977

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2006
Datum publicatie
09-03-2006
Zaaknummer
04/3108 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dienstongeval ambtenaar. Verzoek om schadevergoeding. Heeft werkgever voldaan aan de zorgplicht?

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 1
Besluit algemene rechtspositie politie 54a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3108 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [Regio], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 mei 2004, nr. 03/2522 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. E.H.J.M. Dohmen, advocaat te Maastricht. Namens gedaagde is ter zitting verschenen mr. L.W.H. van den Berg, werkzaam bij gedaagdes politieregio.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, ten tijde in dit geding van belang aangesteld als politieambtenaar bij gedaagdes politiekorps, heeft op 29 juni 1999 deelgenomen aan een door gedaagde georganiseerde teambuildingsdag. Bij een onderdeel daarvan, het quadrijden, is appellant, naar zijn zeggen ter voorkoming van een botsing met een vóór hem rijdende quad, van zijn quad gesprongen en ten val gekomen, met als gevolg ernstig letsel, te weten: een (tijdelijke) tetraparese/dwarslaesie met restverschijnselen, die appellant tot op heden grotendeels arbeidsongeschikt maken.

1.2. Gedaagde heeft het ongeval aangemerkt als dienstongeval in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en de medische kosten van appellant vergoed. Voorts heeft appellant op grond van artikel 54a van het Barp smartengeld ontvangen ten bedrage van fl. 300.000,- (€ 136.134,06).

1.3. Bij brief van 5 april 2001 heeft appellant gedaagde verzocht om vanwege aansprakelijkheid voor dat ongeval tot vergoeding van de door appellant geleden schade over te gaan. Bij besluit van 20 januari 2003 heeft gedaagde dat verzoek afgewezen.

Bij beslissing op bezwaar van 22 oktober 2003 heeft gedaagde zijn weigering gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit gerichte beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Met betrekking tot hetgeen door partijen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

3.1. Appellant heeft gesteld dat gedaagde niet aan de op hem als werkgever rustende zorgplicht heeft voldaan. Appellant heeft daartoe onder meer aangevoerd dat gedaagde, door appellant te laten deelnemen aan het quadrijden, hem nodeloos heeft blootgesteld aan een gevaarzettende activiteit.

3.1.1. Dienaangaande overweegt de Raad dat hij, voor gevallen als het onderhavige, waarin sprake is van een zuiver schadebesluit betreffende schade die door de ambtenaar in de uitoefening van zijn dienstbetrekking is geleden, in inmiddels vaste jurisprudentie (zie onder meer CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072, TAR 2000, 112) als norm heeft geformuleerd dat de ambtenaar - voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften - recht heeft op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

3.1.2. Deze norm strekt er niet toe een absolute waarborg te scheppen. Daarom kan de enkele omstandigheid dat het ongeval zich heeft voorgedaan niet tot de conclusie leiden dat gedaagde reeds daarom zijn zorgplicht heeft veronachtzaamd.

3.1.3. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat in dit geval aan de zorgplicht is voldaan. Daarbij heeft hij van doorslaggevend belang geacht dat gedaagde gebruik heeft gemaakt van de diensten van een professioneel en specifiek voor het quadrijden ingericht bedrijf met een ruime ervaring. Gedaagde heeft zich er van te voren van vergewist dat bij het quadrijden voldoende veiligheidsnormen in acht zouden worden genomen. Zo zijn de deelnemers vooraf uitvoerig geïnstrueerd, stonden er waarschuwingsborden bij de baan en was er een toezichthoudende instructeur aanwezig die bij problemen kon ingrijpen door gebruik van een vonkonderbreker, hetgeen overigens ook in het in geding zijnde geval is geschied. De enkele omstandigheid dat bij de instructies vooraf niet is gewaarschuwd niet van een rijdende quad af te springen maakt het handelen van gedaagde niet onzorgvuldig.

3.1.4. De stelling van appellant, dat de omstandigheid dat de baan na het ongeval is aangepast reeds aantoont dat deze onveilig was, wordt weersproken in de zich onder de gedingstukken bevindende door de eigenaar van de quadbaan afgelegde verklaringen. Uit die verklaringen komt naar voren dat bij het verleggen van de baan uitsluitend organisatorische motieven een rol hebben gespeeld. De Raad ziet, in het licht van de overige gedingstukken, geen aanleiding aan de juistheid van die verklaringen te twijfelen.

4. Ten aanzien van appellants betoog dat de redelijkheid en billijkheid of de eisen van goed werkgeverschap in dit geval gedaagde verplichten de door appellant geleden schade te vergoeden, nu gedaagde heeft nagelaten een verzekering, die integrale dekking biedt, af te sluiten, overweegt de Raad, in lijn met zijn uitspraak van 9 december 2004, LJN AR7748,

TAR 2005, 33, dat deze door appellant genoemde norm de ambtenaar geen aanspraak geeft op vergoeding van schade waartegen de onder 3.1.1. genoemde norm beoogt te beschermen.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter, en mr. K. Zeilemaker en mr. A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.W. Loots.