Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV3952

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2006
Datum publicatie
09-03-2006
Zaaknummer
04/2081 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag ambtenaar. Niet verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts, nadat zij eerder meermalen ter zake was gewaarschuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2081 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, gedaagden.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 9 maart 2004, nr. AWB 02/4538 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagden is een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 6 december 2005 en 9 januari 2006 heeft appellante de beroepsgronden aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 januari 2006, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. J.B. de Jong, advocaat te Amsterdam. Gedaagden hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. G.D. Aiken, gemachtigde.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was met ingang van 1 februari 2001 in vaste dienst werkzaam als senior projectmanager bij de afdeling [naam afdeling] van de provincie Zuid-Holland.

1.2. Op 17 juli 2001 heeft appellante zich ziek gemeld. In maart 2002 heeft de bedrijfsarts een expertise bij een psychiater aangevraagd, waarna appellante is uitgenodigd om op 11 april 2002 bij deze psychiater te verschijnen. Appellante heeft zich voor dit onderzoek afgemeld zonder de bedrijfsarts hierover in te lichten. Bij brief van 10 april 2002 is appellante namens de bedrijfsarts uitgenodigd om op 18 april 2002 op zijn spreekuur te verschijnen. Hierbij is vermeld dat appellante zich voor dit spreekuur om dringende medische redenen telefonisch kon afmelden bij de bedrijfsarts. Per e-mail van 17 april 2002 heeft appellante te kennen gegeven dat zij de volgende dag niet op het spreekuur van de bedrijfsarts kon komen.

1.3. Vervolgens is appellante bij brief van 18 april 2002 namens de bedrijfsarts uitgenodigd voor zijn spreekuur op 22 april 2002. Aangezien appellante zonder bericht niet op dit spreekuur is verschenen, is zij bij brief van 22 april 2002 uitgenodigd voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 26 april 2002. Op deze laatste dag heeft de raadsman van appellante telefonisch aan de bedrijfsarts bericht dat appellante niet naar het spreekuur zou komen. Naar de raadsman hierbij meedeelde, had hij die dag een aantal ongeopende, door appellante aan hem doorgezonden, brieven van de provincie aangetroffen, waaronder die van de bedrijfsarts van 18 april en 22 april 2002; het was hem niet gelukt appellante, die van de in beide laatste brieven vervatte uitnodigingen niet op de hoogte was, per telefoon of fax te bereiken.

1.4. Bij brief van 23 april 2002 hebben gedaagden appellante via haar gemachtigde op de hoogte gesteld van hun voornemen haar de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping op te leggen omdat zij zonder opgave van een reden via een e-mail aan het secretariaat van de bedrijfsarts de afspraak voor 18 april 2002 heeft afgezegd en daardoor in strijd met op haar rustende verplichtingen heeft gehandeld.

Nadat hierop bij brief van 29 april 2002 namens appellante was gereageerd, hebben gedaagden haar bij besluit van 3 mei 2002 op grond van artikel G.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd.

1.5. Bij brief van 29 mei 2002 hebben gedaagden appellante in kennis gesteld van hun voornemen haar de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Hieraan lag ten grondslag dat appellante zeer ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd door op

22 april en 26 april 2002 zonder enig bericht niet te verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts, nadat zij eerder meermalen ter zake was gewaarschuwd. Nadat namens appellante hieromtrent bij brief van 20 juni 2002 haar zienswijze was gegeven, hebben gedaagden haar bij besluit van 10 juli 2002 op grond van artikel G.4, eerste lid, aanhef en onder e, van de CAP met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

1.6. Bij het bestreden besluit van 21 november 2002 hebben gedaagden de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 3 mei 2002 en 10 juli 2002 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

De schriftelijke berisping

3.1.1. Gedaagden hebben erop gewezen dat appellante zich niet overeenkomstig hetgeen in de onder 1.2. vermelde brief van 10 april 2002 is aangegeven voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 18 april 2002 heeft afgemeld. De afmelding is immers slechts per e-mail aan het secretariaat van de bedrijfsarts gedaan en derhalve niet telefonisch aan deze arts persoonlijk terwijl ook geen reden voor de afmelding is opgegeven. Gedaagden hechten in dit verband aan telefonisch contact met de bedrijfsarts omdat deze zich dan (in beginsel) meteen een oordeel kan vormen omtrent de vraag of betrokkene een geldige reden heeft om niet naar het spreekuur te komen.

3.1.2. De Raad is van oordeel dat gedaagden zich op voornoemde gronden met recht op het standpunt hebben kunnen stellen dat appellante zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Niet gebleken is dat dit plichtsverzuim appellante in het geheel niet of in (sterk) verminderde mate valt aan te rekenen. Appellante heeft ook geen medische stukken overgelegd waaruit dit zou zijn op te maken. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat gedaagden bevoegd waren appellante disciplinair te straffen en dat de opgelegde (lichtste) straf van schriftelijke berisping niet onevenredig is aan het gepleegde verzuim.

Het strafontslag

3.2.1. Appellante heeft naar voren gebracht dat haar raadsman met haar werkgever had afgesproken om alle voor haar bestemde post naar hem te zenden, gezien de ernst van de arbeidsongeschiktheid van appellante, waaraan problemen in de werksituatie ten grondslag liggen. Ieder contact met de provincie was nadelig voor de herstelmogelijkheden van appellante. Ten onrechte heeft de provincie zich hieraan niet gehouden, aldus appellante. Uit zelfbescherming heeft zij daarom de door haar rechtstreeks van de provincie ontvangen brieven ongeopend naar haar raadsman doorgezonden. Op 25 april 2002 waren dit er ongeveer zeven.

3.2.2. De Raad overweegt hieromtrent dat gedaagden hebben erkend dat met de gemachtigde van appellante de afspraak was gemaakt als onder 3.2.1. vermeld. Naar het oordeel van de Raad kon van gedaagden worden verlangd dat zij zich bij het verzenden van voor appellante bestemde brieven aan deze afspraak zouden houden. Een uitzon-dering zou hebben kunnen worden gemaakt voor van de bedrijfsarts afkomstige brieven omdat appellante gehouden was zich aan diens controle te onderwerpen en directe contacten daarbij voor de hand liggen. Hiervoor gold dan wel de eis dat die brieven aan de envelop waarin zij werden verzonden als zodanig voor appellante herkenbaar waren. Naar ter zitting is komen vast te staan ontbrak het in dit geval evenwel aan die herkenbaarheid. De betrokken enveloppen waren namelijk de voor de provincie gebruikelijke. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat appellante niet valt te verwijten dat zij de brieven van 18 april en 22 april 2002 met de uitnodigingen voor het spreekuur op 22 april respectievelijk 26 april 2002 naar haar raadsman ter verdere behandeling heeft doorgezonden. Dit heeft ertoe geleid dat zij niet tijdig van bedoelde uitnodigingen op de hoogte is gekomen, hetgeen meebrengt dat in dit geval niet van plichtsverzuim kan worden gesproken. Gedaagden waren dan ook niet bevoegd appellante disciplinair te straffen.

3.3. Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op het strafontslag voor vernietiging in aanmerking en kan het bestreden besluit voorzover daarbij het strafontslag is gehandhaafd evenmin in stand blijven. De Raad ziet verder aanleiding ook het primaire ontslagbesluit van 10 juli 2002 te vernietigen. Voor het overige moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

3.4. Appellante heeft de Raad verzocht toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in dit verband als schadeposten genoemd: kosten van rechtsbijstand, kosten van medische hulpverlening, inkomstenderving, overige materiële schade en immateriële schade. Dienaangaande overweegt de Raad dat kosten van verleende rechtsbijstand volgens vaste jurisprudentie uitsluitend via toepassing van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De overige door appellante gestelde schade is door haar niet of nauwelijks van een toelichting voorzien terwijl ook geen bewijsmiddelen zijn overgelegd. De Raad kan dan ook de omvang van de geleden, voor vergoeding in aanmerking komende, schade thans niet volledig vaststellen. Met toepassing van het tweede lid van artikel 8:73 van de Awb wordt ter voorbereiding van een nadere uitspraak over deze aangelegenheid het onderzoek heropend. In dat kader zal appellante worden verzocht om een toelichting op en een onderbouwing van haar verzoek terzake te geven.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagden op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op de handhaving van het ontslagbesluit bij het bestreden besluit van gedaagde van 21 november 2002;

Vernietigt het bestreden besluit voor dit deel;

Vernietigt het ontslagbesluit van gedaagde van 10 juli 2002;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de schadevergoeding;

Veroordeelt gedaagden in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de provincie Zuid-Holland;

Bepaalt dat de provincie Zuid-Holland aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 314,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A. Beuker-Tilstra als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Zoelen-Altunc als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) B. van Zoelen-Altunc.

S