Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV3950

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2006
Datum publicatie
09-03-2006
Zaaknummer
04/1677 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag ambtenaar na onbevoegd gebruik internet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1677 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Justitie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 februari 2004, nr. AWB 02/2949 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nog nadere informatie verstrekt.

Beide partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk. Gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.H. Warnier en

dr. J.Th. Bijman, beiden werkzaam bij het Ministerie van Justitie.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 1 maart 2000 voor een periode van twee jaar in tijdelijke dienst aangesteld bij het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) van het ministerie van Justitie in de functie van [naam functie]. Het betreft hier een functie op het gebied van het beheer van het door het CIOT gebruikte ICT-systeem.

1.2. In augustus 2001 is gebleken dat op de bij het CIOT aanwezige stand-alone computer met internetaansluiting (hierna: internet-pc) het programma KaZaA was geïnstalleerd en dat dit gebruikt werd voor het downloaden van muziekbestanden. In de periode augustus/november 2001 is het gebruik van de internet-pc herhaaldelijk besproken in het werkoverleg en heeft de leiding van het CIOT de regels omtrent het gebruik van de aanwezige apparatuur aangescherpt. Het programma KaZaA is van de internet-pc verwijderd en deze is verder geheel opgeschoond.

1.3. Op 12 december 2001 heeft appellant aan het eind van zijn werkdag op de internet-pc met behulp van het daarop door hem opnieuw geïnstalleerde programma KaZaA enkele muziekbestanden binnengehaald. Hij heeft voor zijn vertrek nagelaten het programma af te sluiten, waardoor de internetverbinding de gehele nacht heeft opengestaan.

1.4. Bij besluit van 22 januari 2002 heeft gedaagde appellant met ingang van 1 februari 2002 met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Het ontslag is na bezwaar bij het bestreden besluit van 24 juni 2002 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft -samengevat - geoordeeld dat appellant gehandeld heeft in strijd met de voor het gebruik van internet bij het CIOT geldende regels, dat hierdoor sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim, hetwelk ook aan appellant kan worden toegerekend en tenslotte dat het gegeven disciplinair ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim.

3. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat er met betrekking tot het internetgebruik geen eenduidige voorschriften waren waarvan gezegd zou kunnen worden dat appellant die heeft overtreden en dat in dit licht bezien de rechtbank ten onrechte het strafontslag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het handelen van appellant heeft geoordeeld. Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Naar het oordeel van de Raad staat vast dat appellant in strijd met de voor het gebruik van de internet-pc vastgestelde regels heeft gehandeld door het programma KaZaA op de internet-pc te plaatsen, door vervolgens op 12 december 2001 met behulp van dit programma enkele muziekbestanden te downloaden en door na te laten de internet-pc af te sluiten, waardoor de verbinding met het internet tot de volgende werkdag open is blijven staan.

4.2. Weliswaar staan de regels bij het CIOT toe dat de internet-pc bij uitzondering en voor korte tijd wordt gebruikt voor privé-doeleinden, doch daaronder kan redelijkerwijs niet worden begrepen het voor niet zakelijke doeleinden installeren van een softwareprogramma en het downloaden van muziekbestanden, teneinde deze op een andere op de werkplek aanwezige computer af te spelen. In het werkoverleg van 14 augustus 2001 is het gebruik van de internet-pc aan de orde gesteld, omdat de leidinggevende het onjuist achtte dat er op die pc software (KaZaA Media Desktop) en geluidsbestanden stonden. Blijkens het verslag van het werkoverleg van 21 augustus 2001 is daarin een memo van 20 augustus 2001 besproken waarin is gesteld dat het installeren van software zonder uitdrukkelijke toestemming van de leiding niet meer was toegestaan.

4.3. De Raad acht de stelling van appellant dat hij niet op de hoogte was van de geldende regels omdat hij niet aanwezig geweest is bij werkoverleggen waarop het internetgebruik aan de orde is geweest, niet geloofwaardig. Appellant mag geacht worden van de verslagen van de werkoverleggen kennisgenomen te hebben, terwijl voorts aannemelijk is dat het daar besprokene ook in het dagelijks contact van appellant met collega’s aan de orde is geweest. Het kan appellant bezwaarlijk ontgaan zijn dat er een verband was tussen het verwijderen van het programma KaZaA van de internet-pc in augustus 2001 en de in diezelfde periode gestarte discussie over het gebruik van de internet-pc voor niet zakelijke doeleinden. De Raad constateert dat appellant in elk geval op de hoogte had kunnen én behoren te zijn van de regels.

4.4. Nu er op grond van het bovenstaande sprake was van toerekenbaar plichtsverzuim was gedaagde bevoegd appellant op die grond een disciplinaire straf op te leggen. Er zijn geen gronden voor het oordeel dat gedaagde van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik had mogen maken.

4.5. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is appellant van mening dat het hem gegeven onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is. Evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak deelt de Raad dat standpunt niet en acht hij de aan appellant opgelegde disciplinaire straf niet onevenredig aan de ernst van de hem verweten gedragingen.

Daartoe heeft de Raad in het bijzonder laten wegen dat het CIOT een informatiegevoelige dienst is, waar gewerkt wordt met staatsgeheimen. Zorgvuldigheid in het omgaan met computersystemen en de beveiliging daarvan hebben binnen een dergelijke organisatie een zeer hoge prioriteit. Appellant vervult binnen deze organisatie als systeembeheerder een vertrouwensfunctie, waarbij hij toegang heeft tot en om moet gaan met zeer vertrouwelijke informatie. Binnen een dergelijk kader mogen aan appellant hoge eisen worden gesteld met betrekking tot integriteit en het nakomen van de bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden geldende voorschriften met betrekking tot het gebruik van de hem toevertrouwde ICT-apparatuur. Appellant heeft door zijn handelwijze dit vertrouwen in ernstige mate beschaamd. In dit verband acht de Raad van betekenis dat nog in juli 2001 een functioneringsgesprek met appellant is gehouden, waarin het serieus nemen van de interne beveiliging van het CIOT en het daarnaar ook handelen als expliciet verbeterpunt aan appellant is voorgehouden.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.W. Loots.