Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV2501

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
24-02-2006
Zaaknummer
04/7264 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blijven gehele weigering WW-uitkering. Verwijtbaar werkloos.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7264 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 10 november 2004, nr. 04/384 WW, tussen partijen gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 december 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Appellant is vanaf 7 november 2002 op basis van een uitzendovereenkomst met Content B.V. te ’s-Gravenhage werkzaam geweest in de functie van produktiemedewerker bij [naam bedrijf] ([naam bedrijf]). Op 14 mei 2003 is een nieuwe uitzendovereen-komst aangegaan voor de duur van zes maanden. Ten tijde van het aangaan van deze overeenkomst was appellant woonachtig in Amsterdam. Met zijn gezin is hij in juli 2003 teruggekeerd naar zijn oude woonadres in [woonplaats] omdat hij zich in Amsterdam bedreigd voelde ten gevolge waarvan hij depressief was en last van stress had. In verband met die verhuizing heeft appellant op of omstreeks 9 juli 2003 zijn werkzaamheden voor [naam bedrijf] beëindigd en heeft er vervolgens afrekening van loon en vakantietegoeden tot die datum plaatsgevonden. Vanaf 10 juli 2003 tot en met 10 augustus 2003 heeft appellant vakantie genoten.

Op 26 augustus 2003 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag om toekenning van een WW-uitkering ingediend. Bij besluit van 22 september 2003 heeft gedaagde de WW-uitkering van appellant met ingang van 11 augustus 2003 blijvend geheel geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Daartoe is overwogen dat appellant zelf ontslag heeft genomen, terwijl redelijkerwijs van hem verwacht kon worden dat hij was blijven werken. De door hem aangevoerde reden dat hij ging verhuizen naar [woonplaats] in verband met bedreigingen van hem en zijn gezin in Amsterdam levert daarbij uit het oogpunt van de WW onvoldoende bezwaar op. Van omstandigheden die in de situatie van appellant tot verminderde verwijtbaarheid zouden moeten leiden, is daarbij niet gebleken. Bij besluit op bezwaar van 8 januari 2004 (het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het op grond van de stukken aannemelijk wordt geacht dat appellant zijn dienstverband zelf heeft beëindigd, terwijl op grond van de arbeidsovereenkomst het dienstverband tot medio november 2003 zou hebben kunnen duren en namens de werkgever bovendien is verklaard dat appellant, als er geen bijzonderheden waren geweest, nog lang had kunnen blijven werken. Op grond van de door appellant overgelegde processen-verbaal van de aangifte van bedreigingen en diefstal was de rechtbank er niet van overtuigd dat voor appellant een acute noodzaak bestond om te verhuizen en om in verband daarmee zijn dienstbetrekking bij Content/[naam bedrijf] met onmiddellijke ingang te beëindigen, nu de aangifte van bedreiging dateerde van drie maanden voor zijn vertrek en hij voor een beperkte tijd heen en weer had kunnen reizen en de situatie met zijn werkgever had kunnen bespreken. Evenmin heeft de rechtbank de stelling van appellant onderschreven dat de beëindiging van het dienstverband hem niet zou kunnen worden verweten omdat appellant ziek zou zijn geworden, nu medische gegevens daarover niet zijn overgelegd.

Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat appellant zijn dienstverband zelf heeft beëindigd, nu hij zich begin juli 2003 bij Content ziek heeft gemeld in verband met stress en depressiviteit ten gevolge van de bedreigingen die hem noodzaakten om te verhuizen, terwijl onder deze omstandigheden niet van hem verlangd kon worden dat hij heen en weer zou reizen. Volgens appellant waren aan de voortzetting van de dienstbetrekking dan ook zodanige bezwaren verbonden dat voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

De Raad overweegt het volgende.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank zich terecht en op goede gronden achter het standpunt van gedaagde heeft gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW en of in verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen reeds eerder is aangevoerd geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten, terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad in grote lijnen wordt onderschreven. Ook de Raad stelt vast dat in de voorhanden zijnde gegevens voldoende steun wordt gevonden voor het standpunt van gedaagde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden doordat hij zelf op 9 juli 2003 bij zijn werkgever ontslag heeft genomen, terwijl de dienstbetrekking op basis van de arbeidsovereenkomst nog tot 14 november 2003 had kunnen voortduren en blijkens mededeling van de werkgever ook daarna nog verlengd had kunnen worden. In de omstandigheid dat appellant er zelf voor heeft gekozen terug te keren naar zijn woonadres in [woonplaats] in verband met bedreigingen van hem en zijn gezin in Amsterdam ziet de Raad onvoldoende grond om tot een andersluidend oordeel te komen, nu hij na die bedreigingen zijn arbeidsovereenkomst nog heeft verlengd en nog tot omstreeks 9 juli 2003 zijn werkzaamheden is blijven verrichten. Evenmin kan de Raad de stelling van appellant onderschrijven dat hij zijn dienstbetrekking niet zou kunnen voortzetten en niet heen en weer zou kunnen reizen omdat hij arbeidsongeschikt zou zijn, nu een medische onderbouwing voor dat standpunt ontbreekt en hij in dit verband slechts heeft gesteld dat hij vanwege stress en depressiviteit niet voor zijn belangen kon opkomen. In de omstandigheden van het geval heeft de Raad geen reden gezien om aan te nemen dat de ontstane werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad dan ook terecht het standpunt van gedaagde onderschreven dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden doordat de dienstbetrekking is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden dat voortzetting daarvan redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Tenslotte acht de Raad geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.