Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV1059

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2006
Datum publicatie
06-02-2006
Zaaknummer
04/6471 NABW + 04/6472 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsuitkering. Anonieme tip. Onderzoek. Tijdelijk karakter blokkeringsbesluit in afwachting definitief besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6471 NABW

04/6472 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk, appellant,

en

[gedaagde 1] en [gedaagde 2], wonende te [woonplaats], gedaagden.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 oktober 2004, reg.nr. 03/3766 ABW.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 november 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.J.J. Reijnierse, werkzaam bij de gemeente Rijswijk, en waar gedaagden in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagden ontvingen bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat [gedaagde 1] een bedrijf zou voeren, heeft appellant een bijzonder onderzoek laten verrichten naar het recht op bijstand van gedaagden. Uit dit onderzoek komt naar voren dat [gedaagde 1] bijna dagelijks werkzaamheden zou verrichten voor een onderhoudsbedrijf, genaamd [naam onderhoudsbedrijf].

Naar aanleiding van de bevindingen van het bijzonder onderzoek, die zijn neergelegd in een rapport van 24 maart 2003, heeft appellant bij besluit van 24 april 2003 aan gedaagden medegedeeld dat het recht op bijstand vanaf 1 maart 2003 is opgeschort. Gedaagden hebben daartegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 mei 2003 heeft appellant vervolgens het recht op bijstand van gedaagden met ingang van 1 maart 2003 beëindigd. Ook daartegen hebben gedaagden bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 augustus 2003 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 24 april 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft hieraan ten grondslag gelegd dat gedaagden geen belang meer hebben bij hun bezwaar, omdat de werking van het besluit van 24 april 2003 is geëindigd als gevolg van het (beëindigings)besluit van 8 mei 2003.

Bij besluit van 5 september 2003 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 8 mei 2003 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet was ondertekend en wegens termijnoverschrijding. Het tegen het besluit van 5 september 2003 ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak hebben gedaagden geen hoger beroep ingesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2003 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daarbij het besluit van 24 april 2003 zo gelezen, dat reeds met dit besluit het recht op bijstand is beëindigd en niet eerst bij het besluit van 8 mei 2003. Gedaagden hebben volgens de rechtbank dan ook belang bij een inhoudelijke behandeling van hun bezwaar tegen het besluit van 24 april 2003.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte in het besluit van 24 april 2003 een beëindiging gelezen en daarom ten onrechte aangenomen dat gedaagden belang hebben bij een inhoudelijke behandeling van hun bezwaar. Voorts meent appellant dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de proceskostenveroordeling.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte in het besluit van 24 april 2003 een beëindiging heeft gelezen. Uit de bewoordingen van dit besluit blijkt voldoende duidelijk dat het een tijdelijk karakter had en diende ter voorkoming van het ten onrechte betalen van bijstand in afwachting van de definitieve besluitvorming naar aanleiding van het bijzonder onderzoek. Het besluit van 24 april 2003 is daarmee naar het oordeel van de Raad een zogeheten blokkeringsbesluit (ook al heeft appellant daarin - ten onrechte - de term “opschorting” gehanteerd), en geen beëindigingsbesluit. De Raad verbindt hieraan de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

Vervolgens stelt de Raad vast dat inmiddels de beëindiging van het recht op bijstand met ingang van 1 maart 2003 in rechte is komen vast te staan, nu gedaagden geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank waarin hun beroep tegen het besluit van 5 september 2003 niet-ontvankelijk is verklaard. Dat betekent dat gedaagden thans geen belang meer hebben bij een oordeel over de rechtmatigheid van de blokkering van de uitkering vanaf 1 maart 2003. Daaraan verbindt de Raad de conclusie dat gedaagden ook geen belang meer hebben bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 11 augustus 2003, zodat het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande kan de grief van appellant inzake de door de rechtbank gehanteerde maatstaf bij de proceskostenveroordeling onbesproken blijven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) S.W.H. Peeters.